Het kwijt zijn

Bij het zien van de titel van de nieuwste Deborah Levy, Mijn jaar in Parijs met Gertrude Stein, zag ik direct een schilderij van Picasso voor me. Ik had geen flauw idee dat Stein zelf een baanbrekende kunstenaar was die voorliep op haar tijd en die van essentieel belang was voor schilders uit haar tijd.

Deborah Levy biedt ons de gedachtegang van een ik- verteller (die verdacht veel weg heeft van Levy zelf, maar let op: de ondertitel van het werk is ‘Een fictie’). Voor een jaar is een schrijfster neergestreken in Parijs om zich te wijden aan een essay over Gertrude Stein. Deze kunstenaar boeit haar, juist omdat ze haar proza niet volledig kan doorgronden. Het analyseren putte haar uit en daardoor wilde het niet erg vlotten met het schrijven van het essay. Dus presenteert de ik-verteller ons haar verhaal achteraf. Dat schept de mogelijkheid om het onderzoek naar de portee van Stein in te bedden in de alledaagse beslommeringen met haar twee nieuwe vriendinnen Fanny en Eva terwijl op de achtergrond grote politieke momenten ritselen.

Bij aanvang van de roman bevinden we ons in november 2024 in Parijs:

Eva belde om te zeggen dat ze het kwijt was. Ze doelde op haar kat die was verdwenen. Eva was mijn nieuwe vriendin in Parijs. We vonden het fijn om weinig over elkaar te weten omdat er zoveel te ontdekken viel.

Het kwijt zijn. Weinig van elkaar weten. Het kleurt deze roman. Er zijn weinig concrete doelen, naast het vinden van Eva’s kat. Slechts basale zaken weet de vertelster over haar twee vriendinnen:

Fanny is net veertig geworden, ze woont alleen, heeft veel geliefdes en is mede-eigenaar van een mopshond. Eva houdt ervan om overdag door Parijs te wandelen en schildert het liefst ’s avonds.

De ik-verteller blijft nog meer in nevelen gehuld. Ze wordt ontworteld genoemd door een van Fanny’s geliefden en ze heeft een grote angst voor muizen. Zelf vindt ze het eigenaardig om een vriendschap te hebben waarin ze niet deelt wat haar het meest bezighoudt: ‘Dit is een nieuwe manier van zijn en het bevalt me wel. Wat is het? Deze nieuwe manier van zijn?’ Die vaagheid deert in het geheel niet. De vertelster is afwezig maar daar.

Al lezend waan je je in vibrerend Parijs. In het appartement van Stein en haar geliefde Alice B. Toklas dat vol hing met gedurfde kunst uit het begin van de twintigste eeuw: Cezanne, Picasso, Matisse. ‘De ‘vogelvrije’ schilders die het in die tijd moeilijk hadden en werden verguisd.’ Tegelijk ben je in het eenentwintigste- eeuwse Parijs, opgenomen in een opwindend vriendinnenclubje, in een voortdurend heden.

De ik-verteller strooit rijkelijk met citaten uit diverse werken van Stein, terwijl ze mijmert over het kopen van appels, de godganse tijd langs oorlogen scrolt op haar scherm en met haar vriendinnen kletst. Ze hebben het over verwachtingen, over de verdwenen kat, over het polyamoureuze seksleven van Fanny en over Gertrude Stein.

De citaten uit Steins werken vormen een dynamische onderstroom, zowel in het leven van de ik-verteller als in de constructie van de roman. De vertelster peinst en wij peinzen mee:

‘Het kost een hoop tijd om een genie te zijn, je moet zoveel niets zitten doen, echt helemaal niets zitten doen.’

Everybody’s Autobiography

Ik ben het ermee eens dat iedereen een deel van de tijd doorbrengt met denken zonder bewust te denken. Is dat begrijpelijk? Doet het ertoe?

Levy laat ons ‘op een boot die verlicht is met kleine gouden peertjes’ gelijktijdig door tijdperken varen. Via het kauwen op quotes maakt ze zichtbaar wat onzichtbaar was. Cruciale aspecten van Steins literaire werk zoals de nauwgezette aandacht voor taal en het aanbrengen van herhalingen schragen Levy’s compositie. De opmerkingen ‘het kwijt zijn’ en ‘Wat is het?’ komen frequent voor en zijn fundamenteel voor de roman. ‘Het’ verwijst naar uiteenlopende zaken: o.a. naar Eva’s kat (die zij zo noemt), naar het korset, naar naamloos zijn of het leven van haar moeder als het over Gertrude Stein gaat, naar begrip kwijt zijn, naar geestdodend werk als het om Alice B gaat of naar kwijt zijn wie iemand in wezen is.

Centraal staat de (ook bij Stein cruciale) vraag hoe bewustzijn beweegt op een pagina. En het is precies dat wat mateloos intrigeert aan deze roman: hoe Deborah Levy ons in haar meanderende zoektocht naar het wezen van Stein levendig deelgenoot maakt van de gedachtestroom van haar vertelster. Een maalstroom vol specifieke details, grote vragen, kleine beslommeringen. En tegelijk etaleert ze in snedige taal vol luchtige kwinkslagen haar eruditie over Stein en het modernisme.

Deborah Levy illustreert met Mijn jaar in Parijs met Gertrude Stein dat ‘Al het schrijven draait om het uitlaten van geesten’. Enkel flarden uit werken van Stein hebben we gekregen en toch heeft Levy haar bezieling weten te geven. Ik weet niet of ik nu zelf Steins werken ga lezen, ook al heeft Levy me zeker nieuwsgierig gemaakt. Maar zonder Levy’s heldere vertelstem en haar doelbewuste vertragingen om het begrip op te schorten weet ik niet of ik het iets zou vinden.

Miriam Piters

Deborah Levy – Mijn jaar in Parijs met Gertrude Stein. Vertaald door Astrid Huisman. De Geus, Amsterdam. 216 blz. € 22,99.