Recensie: Stéphane Mallarmé – Een dobbelsteenworp zal nooit het toeval opheffen
Wie een worp waagt
Het intrigerende taalbouwsel Un coup de dés jamais n’abolira le hasard (vertaald: Een dobbelsteenworp zal nooit het toeval opheffen) van Stéphane Mallarmé uit 1897 is een soort diamant: je blijft ernaar kijken, het is keihard en ondoordringbaar, en toch licht doorlatend en zo nu en dan spiegelend. Uitgeverij Vleugels heeft het opnieuw uitgegeven, het origineel in het Frans én de vertaling van Paul Claes, met een voorwoord daarbij. Het geheel is zowel een sculptuur als zuivere poëzie.
Het voorwoord van Paul Claes is bijzonder prettig, omdat het wat achtergrondinformatie geeft over het ontstaan van het gedicht en de eigenzinnigheid van de maker ervan. Mallarmé noemde zichzelf bijvoorbeeld een ‘syntaxier’ (zinsbouwkundige) en als je dat in je achterhoofd houdt bij het lezen van het gedicht en de vertaling ervan, ervaar je ook echt dat je ronddwaalt in een ‘bouwwerk van zinnen’, zij het een enigszins labyrintisch geval. Het bestaat grammaticaal slechts uit twee zinnen: ‘één twintig bladzijden lange zin die door diverse ingelaste passages wordt onderbroken en een afsluitende zin van één enkele regel.’
Alleen al om die techniek is dit kunstwerk een facetgeslepen edelsteen te noemen. Je kunt het vanaf zoveel kanten benaderen dat het je duizelt en dat je op het laatst je afvraagt of je wel daadwerkelijk de steen zelf hebt gezien, of alleen maar jezelf, hulpeloos trachtend de steen te vatten. Hoe kansrijk is een vertaling ervan, iedere vertaling één worp van de dobbelsteen? Ik denk dat deze onderneming van Paul Claes vooral te zien is als een interessant avontuur, vooral omdat hij naast zijn vertaling ook het origineel intact laat. Wie van de taalkunst houdt én een beetje Frans kan, kan zich met de vergelijking tussen de twee teksten langere tijd vermaken.
Het gedicht is typografisch interessant. Dat is het eerste wat opvalt als je de bundel opent: de bladspiegel met in verschillende groottes losse woorden en zinsdelen. De manier waarop de tekst op de bladzijde staat, doet mee in de betekenis. Het gedicht zelf lijkt op een worp van taal die in een unieke samenstelling op papier terecht is gekomen. Is de plek willekeurig of betekenisvol, of zelfs allebei?
Het gedicht bevat de metafoor van de schipbreuk, die rijk is aan betekenis. Je kunt het gedicht lezen als de beschrijving van een echte schipbreuk, maar ziet de dichter de onderneming van het gedicht niet zelf als een schipbreuk en brengt hij zijn eigen onmacht onder woorden? Mallarmé speelde kennelijk al vanaf zijn vierentwintigste met het idee van een allesomvattend boek, maar het lukte hem niet om hier vorm aan te geven. Misschien is dit gedicht daarom te zien als een zoveelste poging die gedoemd is ten onder te gaan? De metafoor kan ook naar het menselijk streven verwijzen, prooi van het toeval. Deze meerduidigheid is typisch voor het werk van symbolisten, maar ook voor poëzie in het algemeen.
Terwijl je al opgaat in het geven van betekenis aan die schipbreuk, moet je je ook realiseren dat deze schipbreuk in de gegeven zinsconstructie slechts een denkbeeldige is, omdat deze in de tussenzin als mogelijkheid wordt geopperd: ‘zelfs wanneer geslingerd in eeuwige omstandigheden vanuit een schipbreuk’. Dat maakt de betekenis nog complexer, omdat je alles vervolgens weer in twijfel kunt trekken. Dit ‘als’ in de betekenis van ‘stel dat…’ is typisch voor de worp met de dobbelsteen: je weet nog niet wat er zal gebeuren, maar het plezier of de angst zit ook in het vooraf bedenken van de mogelijkheden die de worp biedt.
De zinsconstructies binnenin de overkoepelende eerste zin doen soms denken aan de cadavre exquis, het spel van de surrealisten, waarbij de een met een woord of zinsdeel begint en de ander er, zonder dat hij het woord of zinsdeel gezien heeft, mee verder gaat, waardoor je wonderlijke constructies krijgt: ‘De stralende pluim van een heer van duizeling / op de onzichtbare kruin / glinstert / overschaduwt dan / een lieftallige duistere gestalte rechtop / die kronkelt als een sirene’. Echter, dat zou er dan een cadavre exquis avant la lettre zijn, want het eerste, waar het spel ook zijn naam aan te danken heeft, stamt pas uit de jaren veertig van de vorige eeuw.
De twijfel wordt in dit gedicht gepersonifieerd door de Meester, die twee dobbelstenen in zijn gebalde vuist houdt en twijfelt of hij die zal gooien. Claes koppelt deze figuur aan Hamlet met zijn ‘to be or not te be’.
De nevel, schaduwen, schimmen en sirene rondom de schipbreuk laten de lezer er uiteindelijk ook aan twijfelen of niet alles slechts een zinsbegoocheling is, maar dan is het er wel een van een onverwoestbare schoonheid waar je niet op uit gepuzzeld raakt. In iedere poging betekenis te geven aan dit wonder echoot de briljante slotzin van dit bouwsel: ‘Elke Gedachte waagt een Dobbelsteenworp’. Wie durft?
Dietske Geerlings
Stéphane Mallarmé – Een dobbelsteenworp zal nooit het toeval opheffen. Vertaling en voorwoord door Paul Claes. Vleugels, Bleiswijk. 56 blz. € 23,95.
