Recensie: Zyta Rudzka – Het oogappeltje van dokter Josef
De versnippering van het geheugen
Wij lijden aan amnesie, merkt een bewoonster op van de instelling waar de handeling van de roman Het oogappeltje van dokter Josef is gesitueerd. Nee, niet amnesie, zeggen de bewoners van haar afdeling tegen haar, wat wij hebben heet dementie. Deze gespreksflard herhaalt zich dagelijks. Het oogappeltje van dokter Josef is een roman uit 2006 van de Poolse auteur Zyta Rudzka (1964). Ik weet niet waarom dit bijzondere en bijzonder goeie boek pas nu vertaald is. Aan Rudzka literaire reputatie kan het niet liggen, want ze geldt niet alleen in Polen als een gerenommeerde schrijver. Enfin, beter laat dan niet. Volgend jaar verschijnt, ook bij Koppernik, haar roman Wie tanden heeft kan lachen, waarvoor ze in 2023 de belangrijkste Poolse literatuurprijs kreeg toegekend.
In Het oogappeltje van dokter Josef past Rudzka een fly-on-the-wall-techniek toe om de conversaties en andere vormen van interactie weer te geven tussen de bewoners van een tehuis of instellingafdeling voor hoogbejaarden die aan ouderdomsdementie lijden. Met name de tweelingzusters Czechna en Leokadia krijgen veel aandacht. Beide zijn Auschwitz-overlevers, Czechna naar eigen zeggen omdat Josef Mengele verrukt was van haar prille schoonheid, de schoonheid van een onbezoedelde, twaalfjarige. ‘Naar eigen zeggen’ is een eufemisme: ze zegt dat elke dag tegen iedereen die haar wil aanhoren. Overigens stond zijn verrukking Mengele’s destructieve experimenteerdrang blijkbaar niet in de weg: injecties om de effecten van verschillende serums en chemicaliën op het menselijk lichaam te onderzoeken, kostten haar een onderarm. Leokadia zwijgt liever over Auschwitz en probeert het getatoeëerde nummer op haar arm zoveel mogelijk aan het zicht te onttrekken.
De afdeling is gemengd. Naast de tweelingzussen zijn er nog de meneren Szymon, Bozydar, Henoch, Miron, Krawiecki, Anatol en Leon en de mevrouwen Benia en Truda, plus enkele figuren die maar een enkele keer opduiken. Mevrouw Benia begint elk gesprek elke dag met de vraag wat haar gesprekspartner liever wil, begraven of gecremeerd worden. Meneer Anatol doet er voornamelijk het zwijgen toe. De conversaties gaan vaak geheel langs elkaar heen, en kenmerken zich door herhalingen. Wat begrijpelijk is: waarvan de een vergeten is het even tevoren ook al te hebben gezegd, is de ander vaak vergeten het even tevoren ook al te hebben gehoord. Wat de meesten zich het beste herinneren zijn ervaringen uit hun jeugd. Die zijn veelal zeer traumatisch van karakter, maar – en ook dat lijkt bij dementie te horen – de emoties waarmee ze gepaard gingen zijn vervlakt.
Sinds een bewoner als verklaring voor het uitblijven van bezoek van haar zoon aanvoerde dat hij naar Amerika was geëmigreerd, wonen alle kinderen van de bewoners in andere werelddelen. Zo’n passage schrijnt, maar ik kan het nalaten daar een anekdote bij aan te halen: mijn buurman placht zijn hoogbejaarde vader wekelijks te bezoeken, heen en terug meer dan 300 kilometer. Een keer, hij had zijn vader net teruggebracht na een lange wandeling, hoorde hij een verzorger tegen zijn vader zeggen:
‘Zo, meneer X, heeft uw zoon u weer een bezoek gebracht?’
‘Mijn zoon? Die is hier al een jaar niet meer geweest.’
Gebrek aan blaas- en sluitspierbeheersing zijn een dagelijkse bron van ernstige zorg. Waar de drang geen uitstel meer verdraagt, of vergeten is waar een kakstoel voor dient, bieden plantenbakken sommigen soelaas. Of andermans of eigen bed. Ook in het laatste geval volgt niet veel later een verbaasde en verontwaardigde uitroep: ‘Er heeft weer iemand heeft in mijn bed gepoept!’ Kleine diefstalletjes en achterbaks, betrekkelijk onschuldig gepest zijn aan de orde van de dag. Keren de infantiele jaloezie en het pestgedrag van de jeugd terug, nu zelfbeheersing, normbewustzijn en besef van decorum eroderen? Hoewel, wat dat decorum betreft, de tweelingzussen verschijnen elke dag tiptop gekleed en opgemaakt.
Natuurlijk is deze roman niet louter een literaire documentaire van het leven in een instelling voor hoogbejaarden met dementie. Rudszka laat zien hoe door ouderdom niet alleen het lichaam uit elkaar valt, maar ook de geest, in het bijzonder het geheugen. Patronen van samenhangende herinneringen vallen uiteen tot losse flarden. Angst ook die te verliezen brengt de bejaarden die Rudszka opvoert ertoe ze elke dag liefst meermalen op te lepelen. Maar uit de gesprekken van Czechna en Leokadia blijkt dat steeds minder duidelijk is wat de relatie van die flarden met de werkelijkheid van toen is en wie van de twee nu eigenlijk wat beleefde.
Rudzka heeft een bijzondere stijl ontwikkeld om haar fly-on-the-wall-techniek effectief te laten zijn. Met als belangrijk ingrediënt het omdraaien van de volgorde van spreker en uiting.
Dat werkt heel goed en maakt van Het oogappeltje van dokter Josef een hele goeie roman. Ik zou dat met een citaat kunnen illustreren, maar een voorbeeld zou minstens een pagina van vergen en dat lijkt me te veel van het goede. De lezer van deze recensie moet me dus maar op mijn woord geloven.
Hans van der Heijde
Zyta Rudzka – Het oogappeltje van dokter Josef. Vertaling Charlotte Pothuizen. Koppernik, Amsterdam. 262 blz. € 23,50.
