Sportzomer: 16 Jack Plooij – De magie van de Formule 1
VVVRRROOOEEEMMM!!!
Als veelzijdig sportliefhebber zijn er altijd wel disciplines waar je je neus voor ophaalt: in mijn geval darts en Formule 1. Ik weet niet precies waarom dit zo is: soortgelijke sporten als snooker of fietsen op een circuit vind ik wel boeiend, en beide kennen geen gebrek aan smeuïge verhalen of Nederlands succes. Wellicht zit het in het publiek dat op beide sporten afkomt, en dat demografisch verschilt van de goedlachse familiemensen bij de atletiek of hipsters die het wielrennen volgen. Voor deze reeks wilde ik echter eens uit mijn comfortzone treden, en dus las ik in aanloop naar de laatste race op Zandvoort het boek De magie van de Formule 1, geschreven door ervaren F1-verslaggever (en tandarts-implantoloog) Jack Plooij, in de hoop overtuigd te raken van de schoonheid van de sport.
Het boek opent met de inleidende vraag ‘Wat is nou die magie?’, waardoor ik direct op mijn wenken bediend werd. Plooij is een enthousiast en beeldend schrijver, en somt op de eerste pagina al direct wat magische elementen op:
De geur van verbrand rubber, het gierende geluid van motoren en bolides die in een flits voorbijrazen – menig racefan krijgt al kippenvel bij het idee. Maar waarom is de Formule 1 nou zo magisch? Is het omdat wij de sport als ‘gewone’ stervelingen niet kunnen beoefenen, of heeft het vooral te maken met het mysterieuze imago dat de Formule 1 er nog altijd opna [sic] houdt?
Hier introduceert Plooij direct een uniek aspect van de F1 waar ik eigenlijk nog nooit bij stil had gestaan: je kunt de sport als liefhebber niet beoefenen, zelfs niet benaderen. Wanneer je op zondagochtend je vaste hardlooprondje of fietstochtje doet, ben je met dezelfde soort inspanning bezig als Lieke Klaver of Matthieu van der Poel, ook al lever je veel minder vermogen en ga je veel minder hard. En wanneer je veel traint en wat talent hebt, kun je bij de meeste sporten gerust meedoen aan wedstrijden die in de basis lijken op wat zich op televisie voltrekt: van voetbal tot tafeltennis. Bij de Formule 1 is dit echter onmogelijk: alleen met veel geld kun je een snelle sportauto bemachtigen, en dan nog kun je daar op de openbare weg niet verantwoord mee rijden op zulke hoge snelheden.
De F1-coureurs zijn daarmee automatisch een soort circusartiesten, zoals Bart Chabot vertelt tegen Plooij in een vermakelijk hoofdstuk over de meest memorabele rijders van toen en nu. Sommige coureurs zijn populair vanwege hun enigmatische coolheid, zoals Lewis Hamilton of Michael Schumacher, anderen juist vanwege hun flamboyante gedrag buiten de baan, zoals de jong gestorven Ayrton Senna of playboy James Hunt. Het leuke aan het boek van Plooij is dat hij zijn enthousiasme en eigen mening nooit onder stoelen of banken steekt, over James Hunt schrijft hij bijvoorbeeld de volgende passage:
Het is toch fantastisch dat je als racer een sigaret opsteekt, aantrekkelijke vrouwen in de pitbox hebt zitten en als een soort seksidool op het circuit bivakkeert. Het is jammer hoe hij aan zijn einde is gekomen: stoppen met roken en drinken, en vervolgens toch nog gewoon hartstikke dood neervallen.
In deze vlotte en droogkomische stijl is het hele boek geschreven, en dat enthousiasme werkt aanstekelijk voor de lezer, zelfs als deze zoals ondergetekende weinig tot niks met de Formule 1 heeft.
Er komen in dit compacte boek veel verschillende facetten van de F1 voorbij: van de geschiedenis en ontwikkeling, zowel van de sport zelf als de auto’s, tot de sensatie van het publiek in Zandvoort en evolutie naar tv-spektakel. Plooij wijdt zelfs hoofdstukjes aan het chronische gebrek aan vrouwen in de F1 (al vindt hij dat onder het mom van ‘vrouwen hebben niet genoeg kracht om zo’n auto te besturen’ niet echt een probleem) en het negatieve milieuaspect, waar opvallend veel betrokkenen oog voor hebben. Elke bijdrage bestaat uit een gesprek van de auteur met een expert, variërend van mensen in de autosport tot bekende(re) Nederlanders als GTST-acteurs en radio-dj’s. Ook zij delen het onbegrensde enthousiasme dat Plooij maar blijft uitdragen, waardoor het hele relaas ook iets weg heeft van een jongensboek vol dolgelukkige kinderen die glunderen bij het aanschouwen van razendsnelle auto’s.
Veel aandacht is er (logischerwijs) voor de terugkeer van Zandvoort op de F1-kalender en hoe verschillende actoren dat voor elkaar hebben gebokst in een wereld die net als die van het voetbal vooral om het grote geld draait. Wat ik me ook realiseerde is dat Formule 1 écht een mondiale sport is: met races op alle continenten en succesvolle coureurs uit verschillende windstreken, al blijft Europa licht dominant. Aangezien het boek al enkele jaren geleden verscheen, is het jammer dat het verdwijnen van Zandvoort geen aandacht krijgt, evenals de successen van Max Verstappen, die in dit boek al wel een gelauwerd coureur is, maar nog niet de meervoudig wereldkampioen die de sport tot voor kort saai maakte. Een van de meest boeiende stukken in het boek gaat over de fanatieke fans van Verstappen, die overigens zelf ook een aardige boterham verdienen aan hun fanwebsite en onofficiële merchandise.
In het laatste hoofdstuk vat Plooij zijn eigen boek eerst op magistrale wijze samen, om vervolgens vooruit te blikken naar de toekomst van de F1. Hij ziet deze weinig rooskleurig in: hij verwacht zelfs dat het een nichesport wordt, ook omdat de jongere generaties volgens hem minder interesse in auto’s hebben en vaker met ander vervoer reizen. Hij benoemt ook de trend dat sportwedstrijden te lang duren voor jongeren en dat ze deze liever als samenvatting bekijken, waardoor de tv-gelden minder op zullen leveren. Dit is een interessante voorspelling die ook best voor andere sporten zou kunnen gelden, al zie ik daar nog weinig tekenen van: er wordt juist meer sport integraal uitgezonden dan ooit.
Hoewel ik mij tijdens het lezen dankbaar heb laten meeslepen door het enthousiasme van Jack Plooij, ben ik gistermiddag alsnog niet ingeschakeld voor de Formule 1-race van Zandvoort, al keek ik wel de samenvatting ervan. Daar is toch meer voor nodig dan een boek, je moet iets voelen bij een sport of het samen met anderen kijken om er langzaam maar zeker aan verslingerd te raken. Ik begrijp nu wel wat de magie van de Formule 1 voor anderen is, en dat deze zich het beste laat vertalen als hard geluid van snelle auto’s. Je moet ervan houden, en als je daarvan houdt, is het boek van Plooij heerlijk leesvoer.
Willem Goedhart
Jack Plooij – De magie van de Formule 1. Uitgeverij Volt, Amsterdam/Antwerpen. 200 blz. € 17,50.
De literaire sportzomer
Het WK voetbal, de Tour de France, Wimbledon, EK atletiek, WK roeien: deze zomer hoeft de sportkijker zich geen seconde te vervelen. Om helemaal in de stemming te komen en ons niet alleen blind te staren op wat er gaande is op het scherm en in de media, duikt Tzum als vanouds de boeken in. Onze schrijvers lezen de beste biografieën van sporters, vergeten geschiedenissen, jubelverhalen en zwarte bladzijden over de grootste en kleine sporten. Niet voor niets bestaat sport in ons collectieve geheugen vooral bij de gratie van de verhalen die verteld worden, lang nadat het stof is neergedaald.
(Foto: Nationaal Archief/CC0)