De twee gezichten van Amerika

Als David Foster Wallace-adept vind ik natuurlijk dat er nauwelijks schrijvers zijn die mooier over tennis hebben geschreven dan hij. De passages over de tennissers van Enfield Tennis Academy in Infinite Jest zijn mijn favoriete delen van zijn magnum opus. Op de achterflap van de vertaling van deze roman zette uitgeverij Koppernik: ‘David Foster Wallace (1962 – 2008) gaf een tenniscarrière op voor een bestaan als schrijver’. Koppernik verdient veel lof en liefde voor het uitgeven van dit moeilijke dikke boek. Het is alleen niet waar dat Wallace een tenniscarrière heeft opgegeven voor de literatuur. Hij kon goed tennissen, zeker, maar Wallace was goed op regionaal niveau; hij was lang niet zo goed als de spelers van de ETA uit Eindeloos vertier – deze personages behoren tot de beste van het land in hun leeftijdscategorie.

Wallace schreef ook een aantal essays over tennis; een schitterend stuk over Roger Federer (een andere favoriet van mij), over Tracy Austin en de relatief onbekende Michael Joyce. In dit essay over Joyce, die bevriend was met de beruchte moordenaar Erik Menendez en bekend is geworden als coach van onder meer Maria Sharapova, bekende Wallace: ‘I submit that tennis is the most beautiful sport there is and also the most demanding. It requires body control, hand-eye coordination, quickness, flat-out speed, endurance, and that weird mix of caution and abandon we call courage. It also requires smarts.’

De schoonheid, complexiteit en veeleisendheid maken tennis zo’n goed onderwerp voor literatuur. Dus schreven Martin Amis en Giorgio Bassani prachtig over tennis in hun romans Money (1984) en De tuin van de familie Finzi-Contini (1962) en speelt de sport een rol in de literaire non-fictie van Geoff Dyer en John McPhee. Die laatste schreef het klassieke tennisboek Levels of the Game (1969).

McPhee, winnaar van de Pulitzer Prize in 1999, beschrijft in dit piekfijne boek de halve finale van de U.S. Open in 1968 tussen Arthur Ashe en Clark Graebner. Bij veel tennisminnende Nederlanders gaat er nu waarschijnlijk een belletje rinkelen, want Ashe zou later in de finale onze landgenoot Tom Okker verslaan in vijf sets.

Zo lijkt het net alsof McPhee een tenniswedstrijd navertelt. Gelukkig is dat niet het geval. Hij beschrijft af en toe een punt of het gedrag van de spelers. Meer aandacht heeft hij voor de biografieën van de hoofdrolspelers. Ashe en Graebner zijn niet alleen elkaars tegenstanders op het veld, ze zijn ook nog eens elkaars tegenpolen in het Amerika van de jaren zestig: ‘Ashe feels that Graebner plays the way he does because he is a middle-class white conservative. Graebner feels that Ashe plays the way he does because he is black.’

Net zoals de Italiaanse schrijver Curzio Malaparte de wielrenners Fausto Coppi en Gino Bartoli omschreef als ‘de twee gezichten van Italië’ – de vooruitstrevende Coppi versus de vrome katholiek Bartoli –, koppelt McPhee de speelstijlen van Ashe en Graebner aan hun maatschappelijke positie en levensinstelling. Dus: ‘playmaking’ versus ‘shotmaking’, oftewel behoudend versus avontuurlijk. Zo zegt Ashe over zijn tegenstander: ‘He plays stiff, compact, Republican tennis.’ Daarentegen speelt Ashe losjes volgens Graebner: ‘He plays the game with the lackadaisical, haphazard mannerisms of a liberal.’

De witte Graebner geniet privileges terwijl Ashe moet knokken om een plek in de witte tenniswereld te veroveren. Het zelfverklaarde land of the free was (en is) immers doordesemd van racisme. Daarom speelt Ashe liever in Zweden of Spanje: ‘It’s a great feeling to get away from all this crap in the United States. Mentally and spiritually, it’s like taking a vacation.’ Ashe is van banen gejaagd – ‘Hey, you! Get off there. We don’t allow colored in this club.’ – en doet zijn best om niet op te vallen of om reuring te veroorzaken.

Als zoon van een tandarts wordt Graebner geen strobreed in de weg gelegd. Er is geld genoeg en veel is vanzelfsprekend voor de witte Graebner. Zijn vader was ook een aardige tennisser en hij wordt actief gesteund door zijn ouders. ‘We did not push Clark into tennis,’ zegt zijn moeder. Ik vermoed dat dit niet helemaal waar is.

Ashe en Graebner spelen het moderne powertennis: ‘overwhelming serves followed by savage attacks at the net’. De punten zijn kort in deze halve finale, de rally’s duren gemiddeld zo’n tweeënhalve slagen. Het langste punt van deze wedstrijd is zes slagen. McPhee beschrijft dit tennisgeweld zuiver en scherp. Hij heeft een jaloersmakend serene en lucide stijl (zo’n glasheldere New Yorker-stijl, het tijdschrift waarin dit boek eerder verscheen).

Levels of the Game wordt terecht beschouwd als een hoogtepunt van de sportliteratuur en kan zich zeker meten met de tennisessays van DFW. Het beste boek over tennis ooit geschreven? Nee, schreef Geoff Dyer: hij vond de koppeling tussen de speelstijlen en de karakters van Ashe en Graebner een gebrekkige veronderstelling. Ik vind dit juist de kracht van het boek: zo overstijgt Levels of the Game het doorsnee wedstrijdverslag dat je een dag later in de krant leest. Die wedstrijd is een springplank voor het echte verhaal over twee politieke tegenpolen in Amerika. Alles is politiek, ook die gedenkwaardige halve finale van de U.S. Open in 1968.

Koen Schouwenburg

John McPhee – Levels of the Game. Farrar, Straus and Giroux, 150 blz. € 15,99

De Nederlandse vertaling Niveaus van het spel verscheen in 2008 bij L.J. Veen en is alleen nog antiquarisch te verkrijgen.

De literaire sportzomer
Het WK voetbal, de Tour de France, Wimbledon, EK atletiek, WK roeien: deze zomer hoeft de sportkijker zich geen seconde te vervelen. Om helemaal in de stemming te komen en ons niet alleen blind te staren op wat er gaande is op het scherm en in de media, duikt Tzum als vanouds de boeken in. Onze schrijvers lezen de beste biografieën van sporters, vergeten geschiedenissen, jubelverhalen en zwarte bladzijden over de grootste en kleine sporten. Niet voor niets bestaat sport in ons collectieve geheugen vooral bij de gratie van de verhalen die verteld worden, lang nadat het stof is neergedaald. Je vindt alle afleveringen hier.

(foto: Nationaal Archief, CC0)