Recensie: Florian Jacobs – Blijven is nergens. Het Europa van Rilke
Elke aankomst is de belofte van een vertrek
De vele reizen van Rainer Maria Rilke (1875 – 1926) hingen nauw samen met de ontwikkeling van zijn poëzie. Florian Jacobs schreef daar een aantrekkelijk, goed geschreven boek over: Blijven is nergens. Het Europa van Rilke. Hij reisde hem na, waardoor de lezer een goed inzicht krijgt in zowel de persoon en dichterlijke ontwikkeling van Rilke als in het Europa aan het begin van de vorige eeuw.
Ter ondersteuning van zijn betoog citeert Jacobs gedichten of delen daarvan uit achtereenvolgende bundels en voorziet deze van veelal verhelderende commentaren. De gedichten worden steevast gevolgd door een (niet altijd even mooie) vertaling. Daarnaast maakt hij dankbaar gebruik van de intensieve correspondentie van Rilke en zijn meesterlijke roman De aantekeningen van Malte Laurids Brigge.
Voor Rilke was reizen een pure noodzaak. Wat hij de hoofdpersoon Malte van De aantekeningen laat zeggen, geldt onverkort voor hemzelf:
verzen zijn niet, zoals de mensen denken, gevoelens (die heb je gauw genoeg), – het zijn ervaringen. Omwille van een vers moet je veel steden zien, mensen en dingen. […] Je moet kunnen terugdenken aan wegen in onbekende steden, aan onverwachte ontmoetingen en aan afscheid dat je lang zag aankomen.
Dat is lang niet alles, je moet het leven in al zijn aspecten leren kennen. Pas als je je ervaringen hebt laten bezinken, deel hebt laten worden van jezelf, bestaat de kans dat er goede gedichten ontstaan. Verandering is een constante, zijn leven lang beschouwde Rilke zich als een dichter in wording. ‘What we call the beginning is often the end / And to make an end is to make a beginning’, schreef Eliot, met wie hij wel meer gemeen had. Veel gedichten spelen zich af op een grensvlak, zoals de klassieker ‘Herbsttag’ / ‘Herfstdag’.
Jacobs kon niet achterblijven, vond hij. Als je je wilt inleven in Rilkes persoon en werk, moet je de plaatsten bezoeken die voor hem van belang zijn geweest, zoals de kunstenaarskolonie Worpswede, Venetië, Capri, kasteel Duino aan de Adriatische zee en Toledo. Van zijn geboortestad Praag moest Rilke niets hebben.
Parijs was het belangrijkst voor hem. Daar is hij de werelddichter geworden die wij kennen. Hij leefde volledig voor de dichtkunst en zat daardoor voortdurend zonder geld; hij vroeg zijn uitgever om voorschotten en liet zich graag uitnodigen voor een langdurig gratis verblijf zoals bij zijn mecenas Prinses Marie von Thurn und Taxis, die hem meenam naar haar Duino. Daar schreef hij in 1912 zijn eerste twee elegieën. De derde schreef hij in 1913 in Parijs.
Aan zijn vrouw, de beeldhouwster Clara Westhoff en hun dochter Ruth liet Rilke zich weinig gelegen liggen. Eenzaamheid was voor hem een noodzakelijke voorwaarde om te kunnen dichten en de indrukken die hij opdeed op zijn reizen waren het sterkst als hij alleen was.
Zeer interessant is zijn ontwikkeling van de tweedelige bundel Nieuwe gedichten (verschenen in 1907 en 1908) naar De Elegieën van Duino. De ontmoeting met Rodin in 1902 zorgde voor een belangrijke verandering in zijn poëzie. Rodin wist beweging uit te drukken in zijn beelden en Rilke wilde datzelfde doen in taal; uiteraard speelde het ritme daarbij een belangrijke rol. Voorts verdwijnt een beeldhouwer achter zijn beelden, die spreken voor zich. Zo moesten ook zijn gedichten worden: autonoom, losgezongen van de maker, om met Nijhoff te spreken. Persoonlijke gevoelens van de dichter doen er daarbij niet toe, die dienen slechts als grondstof voor de emoties in een gedicht. In die zin lijkt Rilke op dichters als T.S. Eliot, Pessoa en Nijhoff.
Naast Rodin spiegelde hij zich in die tijd aan Cézanne, van wie hij zeer onder de indruk was vanwege diens kleurgebruik. De onderlinge verhoudingen van kleuren vormen de essentie van de schilderkunst, vond Rilke, net zoals de onderlinge betrekkingen van woorden dat zijn voor de dichtkunst. (Helaas zijn foto’s van schilderijen afgedrukt in zwart-wit, zo ook dat van Cézanne).
Op den duur voldeden deze op zichzelf schitterende gedichten niet meer. Belangrijke vragen werden niet gesteld, zoals het waarom en waartoe van het leven in een wereld waarin religiositeit geen eenheid meer schept. Hoe te leven in een onvolkomen, versnipperde wereld? In de Elegieën van Duino, welhaast de meest becommentarieerde en onderzochte gedichten uit het Duitse taalgebied, vond hij een antwoord op deze ‘metafysiche plaatsloosheid’: de mens doet altijd en overal ervaringen met de werkelijkheid op en schept zich daarmee een eigen, samenhangende wereld.
De eerste drie elegieën doen hun naam nog eer aan door het onvervulbare verlangen naar het volmaakte domein van de engel (het zinnebeeld van het denkbaar ideale). De elegieën die hij in februari 1922 schreef in het Zwitserse Château de Muzot, (samen met De sonnetten van Orpheus en De brief van de jonge arbeider!), kregen trekjes van een lofzang op het aardse leven. Het goddelijke hoort de goden toe en het menselijke de mensen.
Juist onze sterfelijkheid maakt ons leven waardevol. Het is de kunstenaar die eenheid en eeuwigheid schept. Een dichter doet dat in taal, op het eerste gezicht verrassend paradoxaal door het vergankelijke te gebruiken. In De sonnetten komt Orpheus bij iedere lezing opnieuw tot leven. De dichter maakt schoonheid eeuwig.
Dat is niet alles. De dichter is voortdurend in wording, en omdat hij hen de weg wijst, veranderen zijn lezers mee: dankzij zijn poëzie wordt hun leven steeds wijder. Poëzie verwijst bij Rilke niet naar een grotere wereld, maar maakt de wereld groter.
In deze bespreking konden niet alle aspecten van Rilkes dichterschap aan de orde komen, zoals de aandacht voor het momentane, maar het zal duidelijk zijn dat Blijven is nergens (een zinsnede uit ‘De eerste elegie’) een interessant boek is, zowel voor lezers die de dichter nog niet of nauwelijks kennen als voor degenen die al langer vertrouwd zijn met zijn werk.
Hans Puper
Florian Jacobs – Blijven is nergens. Het Europa van Rilke. Boom, Amsterdam. 391 blz. € 29,90.
Ter gelegenheid van het honderdste sterfjaar van Rilke houdt Florian Jacobs op 21 september een lezing in het Literair café van het Luxor Theater Zutphen. 20.00 – 22.00 uur, toegang gratis.

