Recensie: Frénk van der Linden – De steniging
Deze recensie over De steniging komt uit 2006.
Problemenstorm
Hoe beschrijf je in een roman ‘gewone’ mensen? Tot aan het eind van de negentiende eeuw fungeerden ze vaak als komische figuren, die grappige commentaren gaven tussen de dramatische verwikkelingen door. Of de schrijver pakte uit met hypersentimentele verhalen rondom hun armoede en verdriet, zie Dickens. Hoofdpersonen waren het vrijwel nooit. Pas sinds de romans van
Emile Zola kwamen ze in beeld, maar daar functioneerden ze vaak als ideeëndragers van de arbeidersklasse.
Ook in actuele romans komen ze niet uitvoerig voor. De nieuwste roman van Grunberg gaat over een medewerker bij een uitgever, de hoofdfiguur van K. Schippers’ laatste boek heeft een fotozaak. A.F.Th van der Heijden is bij ons de grote meester van gewone mensen, hij gaf in romans als Vallende ouders (1983) en De gevarendriehoek (1985) een weergaloos mooi beeld van een ‘gewoon’ Brabants gezin. Het punt is, niet bij Van der Heijden dus, dat schrijvers zichzelf vaak erg bijzondere mensen vinden en de neiging hebben ‘gewone’ mensen binnen veroordelende schema’s te persen die we van allerlei halfbakken sociologenpraat op de televisie direct menen herkennen. Arme en gewone mensen hebben volgens die schema’s alleen problemen: ze hebben geen fantasie, ze drinken teveel, ze zijn aan de drugs, ze slaan kletspraat uit, ze zijn racistisch en ze lezen nooit een boek. Dat ze nog vrij mogen rondlopen, mag een raadsel heten.
Frénk van der Linden besloot zich niks van deze vooroordelen aan te trekken en maakte een gewoon meisje hoofdpersoon van een warme roman. Hij werkt wel degelijk met de schema’s die ik hierboven schetste maar toch gaat hij daarin absoluut niet kopje onder. Dat vond ik knap. Zijn heldin belandt in een storm van moderne problemen waarbij je meestal direct in slaap valt wanneer ze in praatprogramma’s over moeilijke jongeren op de tv besproken worden: scheiding ouders, dood van vriendje, te sterke vaderbinding, psychose, ongewenst zwanger, gekte, langzame genezing etc. Maar toch slaagde hij erin een echte jonge vrouw te creëren, een heldin die daar boven uitsteeg en waar ik steeds meer voor begon te voelen, eerlijk is eerlijk.
Hoe hij dit precies voor elkaar kreeg is me nog niet helemaal duidelijk. Vermoedelijk omdat hij zijn verhaal vanuit het meisje vertelt, hij kruipt in haar huid en dat werkte. Hij koos voor een hypersnelle vertel- en schrijfwijze. Zijn zinnen zijn concreet en beeldend, ze barsten van straatjargon maar maken daar toch ook geen belachelijk neptaaltje van.
Hij maakt van liefde tussen mensen een fraai, onsentimenteel geheel, hij strooit met mooie details. De ouders van haar moeder hadden bijvoorbeeld in Brabant een fabriekje van heiligenbeelden en dan schrijft hij:
Haar moeder was altijd verwend. Enig kind; alles kon. Haar ouders mochten dan nog zo katholiek zijn, ze knipperden niet eens met hun ogen toen mam het hoofd van Maria gebruikte om voor de deur een hinkelbaan te krijgen.
Mooi vond ik dat hij het uiterlijk van zijn heldin nergens beschrijft. Je mag haar zelf in je hoofd laten ontstaan en bij mij ontstond ze ook. Ze werd niet belachelijk of pijnlijk raar. Ja,
Van der Linden laat regelmatig zien dat hij erg van haar begon te houden, dan geeft hij gewoon toe aan zijn sentimentele gevoelens. En het werkte. Ze kwam voor me te staan en ze bleef een tijdje bij mij. Zo hoort dat bij literatuur.
Kees ’t Hart
Frénk van der Linden – De steniging. Contact, Amsterdam. 302 blz.
Deze recensie verscheen voor het eerst in de Leeuwarder Courant op 6 oktober 2006.
