Column: Coen Peppelenbos – De pavlovreacties op het PISA-onderzoek naar leesvaardigheid
De pavlovreacties op het PISA-onderzoek naar leesvaardigheid
Nog voordat de resultaten van het PISA-onderzoek bekend werden gemaakt, had ik al een reactie van de Leescoalitie in de mailbox waarvan de conclusie luidde:
De Leescoalitie vraagt daarom om een structurele investering van 2 miljoen euro en roept het kabinet en de Tweede Kamer op om hiervoor bij de begrotingsbehandeling middelen vrij te maken en daarmee te investeren in een samenleving die lezen stimuleert.
In de Leescoalitie zitten: KB nationale bibliotheek; Literatuurmuseum / Kinderboekenmuseum; Nederlands Letterenfonds; De Schoolschrijver; De Schrijverscentrale; CPNB; Stichting Lezen; Stichting Lezen en Schrijven; Taalunie en de Vereniging van Openbare Bibliotheken. Er zijn de afgelopen jaren al miljoenen naar projecten van deze organisaties gegaan en ik gun iedereen zijn miljoenen, maar wat weten we precies over de effectiviteit van al hun campagnes? Bitter weinig. In ieder geval hebben al die campagnes en acties niet direct een gunstig effect gehad (of misschien was het zonder die campagnes nog slechter gesteld met de leesvaardigheid van de Nederlandse vijftienjarigen).
De conclusies werden al snel getrokken: kinderen zitten te veel op hun schermpjes en kunnen daarom niet lezen, het Nederlandse onderwijs is heel beroerd en als je in de rechts-conservatieve hoek zit: al die asielzoekers zorgen voor dalende cijfers. De laatste, overhaast getrokken, conclusie werd getrokken op grond van deze opmerking in de rapportage:
Leerlingen die thuis Nederlands (incl. Nederlands dialect of Fries) spreken, behalen gemiddeld hogere scores voor zowel natuurwetenschappen, leesvaardigheid als wiskunde dan leerlingen die thuis een andere Europese taal (bijv. Duits, Engels of Pools) spreken. Op hun beurt behalen laatstgenoemde leerlingen hogere scores op alle domeinen dan leerlingen die thuis een andere niet-Europese taal (bijv. Arabisch, Papiamento, Chinees of Turks) spreken.
De gunstige cijfers over het eigen welbevinden op school en het gevoel erbij te horen, deden niet ter zake. De zeer gunstige cijfers voor wiskunde, waar je – zoals iedereen weet – niet voor hoeft te kunnen lezen, kwamen nauwelijks in het nieuws.
Mijn collega en ik lieten onze studenten voor het van ‘Academische lezen en schrijven’ de uitvoerige analyse van het PISA-onderzoek lezen. In het gedegen rapport ‘Resultaten PISA-2025 in vogelvlucht‘ heb je niet alleen een mooi overzicht van alle cijfers, interessant zijn vooral de conclusies, de discussie en de reflectie. Een paar citaten:
Uit een eerdere leerplankundige analyse van PISA bleek dat Nederlandse toetsen en methoden minder gericht waren op het begrijpen van een tekst als geheel en dat er weinig aandacht was voor het evalueren op de inhoud van een tekst. (…). Deze veranderingen zijn ook terug te zien in de nieuwe kerndoelen voor het vak Nederlands. In de nieuwe kerndoelen verschuift de nadruk bovendien van losse taalvaardigheden naar betekenisvol gebruik van taal. De kerndoelen geven daarmee richting aan een beweging van versnippering naar samenhangend onderwijs, waarbij begrijpend lezen niet meer los wordt aangeboden, maar in verbinding met andere taalvaardigheden en andere vakken.
Dat zal betekenen dat ons toekomstige onderwijs al meer zal aansluiten bij de manier van toetsen die bij PISA gebruikelijk is. Die nieuwe kerndoelen zijn de afgelopen jaren ontwikkeld en ze worden doorgevoerd in het onderwijs. Het leesonderwijs staat dus al op de schop.
De onderzoekers benadrukken nog eens dat deze generatie (net als die in de rest van Europa) behoorde tot de COVID19-generatie, al is het lastig om daar conclusies over te trekken.
Opvallend vond ik ook deze relativerende opmerking:
Met de PISA-data is het niet mogelijk om verklaringen te geven voor ontwikkelingen in toetsprestaties. PISA meet op één moment, één keer in de drie of vier jaar het niveau van leerlingen en leerlingen worden niet voor een langere tijd gevolgd. PISA-data kunnen daarom niet gebruikt worden om causale verbanden vast te stellen.
In 2022 schreef ik Moeten we dit weten voor de toets? dat voornamelijk over literatuuronderwijs gaat. Dat was mijn poging om een optimistisch tegengeluid te brengen in een Leescoalitieveld dat er financieel baat bij heeft dat de cijfers slecht blijven en dus met de pavlovreactie komt dat het kabinet meer geld moet geven. Ook universiteiten hebben weer baat bij onderzoeksgeld dat ingezet moet worden om de problematiek in kaart te brengen. En zo is er een enorme keten ontstaan waarin verdiend wordt aan de slechte leesprestaties. Begrijp me goed: iedereen werkt daarin met de beste intenties en ik ken binnen diverse organisaties gepassioneerde lezers, maar waar blijven toch al die miljoenen?
Ik heb twee jaar geleden geprobeerd om een paar duizend euro los te krijgen voor nieuwe boeken in onze mediatheek. Mijn plan was simpel. Geef mij tienduizend euro, zodat ik vijf jaar lang voor tweeduizend euro boeken kan kopen voor de mediatheek, zodat mijn studenten Nederlands die boeken kunnen lenen binnen de eigen schoolomgeving. Ik leg jaarlijks verantwoording af voor mijn keuzes. Te simpel gedacht. Je wilt niet weten wat je moet doen voor een leesbevorderingsproject: projectplannen schrijven, samenwerkingsverbanden zoeken met provinciale bibliotheken, convenanten opstellen met het bestuur van je school, overleggen met diverse partijen, een meerjarenplan uitdenken en co-financieren. Ik had er al een uur of twintig in zitten toen mijn leidinggevende de handdoek in de ring gooide.
De spagaat van Jeroen Dera gaf mij hoop. Hij is eveneens onderdeel van de keten, maar hij durft ook kritisch te zijn op leesbevorderingscampagnes (De Weddenschap bijvoorbeeld). Daarnaast zie je dat hij zelf een lezer is en zijn eigen enthousiasme kan overbrengen. Een docent die zelf leest en zijn leerlingen (en studenten) weet mee te nemen in zijn enthousiasme is van cruciaal belang. Bovendien durft hij nieuwe initiatieven (zoals de leeschallenges, BookTok et cetera) mee te nemen in zijn onderwijs en onderzoek. Vorig jaar zat ik bij een lezing van Dera over reading challenges, waarbij hij jaloersmakend makkelijk tegenwerpingen van oudere collega’s (ik bedoel mensen van mijn leeftijd) pareerde met onderzoeksgegevens en tegelijk het enthousiasme van de mensen in de zaal om zelf eens mee te doen met een challenge wist aan te vuren.
Dat enthousiasme zie ik ook bij de makers (Lieke van Deinsen, Mathijs Sanders en Sandra van Voorst) van het Basisboek Letterkundig Onderzoek waarbij ik als uitgeefknecht bij betrokken was. Het is jammer dat dit boek niet tien jaar eerder op de markt was gekomen, dan had ik het vak literatuurwetenschap in de master zoveel aantrekkelijker en uitdagender kunnen maken.
Kortom: er is wel iets aan de hand, maar het nieuwe leesonderwijs staat al in de steigers en binnen het literatuuronderwijs worden er godzijdank enorme sprongen gemaakt. Laat je niet afleiden door al die alarmbellen.
Coen Peppelenbos

Leuk stuk en ik had je boek er vorige week al even weer bijgepakt nav de uitkomst van het pisa onderzoek. Ik ben nog wel benieuwd wat je van de analyse vindt die op neerlandistiek staat. Die klinkt wel negatiever dan eerder of lees ik het dan zelf te negatief en is het een beetje vergelijkbaar met wat jij eigenlijk zegt?