Net niet

Volgende week donderdag wordt de winnaar van de Nobelprijs van de literatuur weer bekendgemaakt. Wie hem, naast Cees Nooteboom en Astrid Roemer, in ieder geval niet gaat winnen is de Keniaanse schrijver Ngũgĩ wa Thiong’o. Jarenlang gold hij, volgens de bookmakers ten minste, als de absolute frontrunner om na Wole Soyinka, Nagieb Mahfoez, Nadine Gordimer en J.M. Coetzee als vijfde Afrikaanse winnaar uit de bus te komen. Maar in plaats daarvan ging de Tanzaniaanse Abdulrazak Gurnah er met de winst vandoor en overleed Ngũgĩ in 2025.

Ondanks het uitblijven van die grote prijs durfte Uitgeverij De Geus het vorig jaar toch aan om een nieuwe vertaling van zijn vroege roman Eén korrel graan op de markt te brengen. Het boek speelt zich af in de dagen in aanloop naar de Keniaanse onafhankelijkheidsdag in 1963, die in het boek steevast Uhuru (Swahili voor vrijheid) wordt genoemd. De vertalers hebben ook veel andere woorden uit Afrikaanse talen in de tekst zelf onvertaald gelaten en de vertaling enkel in een verklarende woordenlijst achterin het boek toegevoegd. Een keuze die Ngũgĩ waarschijnlijk wel gesmaakt zou hebben. Hoewel Eén korrel graan nog nagenoeg volledig in het Engels is geschreven, wees hij deze koloniale taal op latere leeftijd af en besloot enkel nog in zijn moedertaal, het Gikuyu, te schrijven.

In de roman volgen we verschillende personages die allen met hun eigen hoop en vrees de Uhuru tegemoet zien. Zo is er Mugo, die tijdens de Mau Mau-opstand, de onafhankelijkheidsoorlog die aan de Uhuru voorafging, in een interneringskamp gemarteld is en nu als een volksheld op het schild gehesen dreigt te worden. Gikonyo, een ambitieuze handelaar, die zijn land in de vaart der volkeren mee wil trekken en Mugo tracht over te halen op de onafhankelijkheidsdag te komen speechen. Maar ook Karanja, een al even ambitieuze man die er niet voor terugdeinste om met de witte onderdrukker mee te werken, en John Thompson en zijn vrouw, twee Britse kolonisten die het land hopen te ontvluchten voor het, in hun visie, in totale chaos uit elkaar zal barsten.

Zo toont Ngũgĩ het hele panorama van de pre- en postkoloniale Keniaanse samenleving, waarin de grens tussen dader en slachtoffer vaak verbluffend dun blijkt te zijn. Hij beschrijft de geschiedenis van zijn land niet in makkelijk uit elkaar te houden helden en schurken, maar in tragische figuren vol morele grijstinten die allemaal op hun eigen manier onder het koloniale systeem te lijden hebben gehad. Die allemaal ook een persoonlijke geschiedenis, vol liefde, verraad en familiaire dynamieken, met zich mee dragen en die op de een of andere manier op het koloniale systeem projecteren. Dit getuigt van een bijzonder psychologisch inzicht en moet bij het verschijnen van het boek, nog geen vier jaar na de Keniaanse onafhankelijkheid, een behoorlijk radicale boodschap zijn geweest.

Misschien ook een iets te radicale boodschap voor het Nobelprijscomité, die over het algemeen identificatie met slachtoffers toch net iets hoger lijkt te waarderen dan die met daders. Of was er nog iets anders dat hen dwars zat? Ngũgĩ’s werk heeft uiteraard een duidelijke maatschappelijke inslag, toch vaak een voorwaarde om in Stockholm op tafel te komen liggen, maar is aan de andere kant is hij ook geen taaltovenaar als Jon Fosse of László Krasznahorkai. Ook bouwt hij geen fantasierijke werelden of droompaleizen om zijn maatschappelijk engagement heen, zoals een Olga Tokarczuk of Han Kang. Zijn stijl is eerder gedragen en zwaargewicht, nogal vertellend en vol bijbelse verwijzingen, die er hier en daar wel een tikkeltje dik bovenop liggen. Het verhaal ontvouwt zich daardoor met de snelheid van een schildpad, wat de kracht van zijn boodschap, hoe interessant en subtiel misschien ook, behoorlijk onderuit haalt. Net niet Nobelprijs-waardig als ik heel eerlijk ben.

Wat niet betekent dat er niet nog genoeg moois en interessants in Eén korrel graan te ontdekken valt. Alleen al als document van een vrijheidsstrijd, die hier nauwelijks bekendheid geniet, is deze roman al meer dan het lezen waard. Het is dan ook bewonderenswaardig dat deze nieuwe vertaling haar in ons taalgebied weer voor een breed publiek beschikbaar probeert te maken. Alleen had er misschien nog wel wat meer moeite gedaan mogen worden om de lezer in deze gruwelijke koloniale geschiedenis in te wijden. Een korte inleiding met daarin de belangrijkste feiten uit de Keniaanse geschiedenis uiteengezet was daarbij misschien bijna behulpzamer geweest dan de verklarende woordenlijst.

Jonathan van der Horst

Ngũgĩ wa Thiong’o – Eén korrel graan. Uit het Engels vertaald door Manik Sarkar en Eefje Bosch. De Geus, Amsterdam. 304 blz. € 21,99.