Recensie: Abdelkader Benali – Feldman en ik
Deze recensie komt uit 2007.
Literatuur als spiegeltent
Nog maar net het nieuwe jaar in en daar ga ik alweer in discussie met een roman. Abdelkader Benali schreef met Feldman en ik een merkwaardige roman over een vriendschap waar ik eerlijk gezegd nog niet helemaal over uitgepiekerd ben. In het begin is ene Andes Miskin aan het woord die een brief kreeg van zijn oude doodgewaande vriend Maxime Feldman, in wie je met een beetje fantasie allerlei trekken kunt ontwaren van Michaël Zeeman, de bekende Markense Fries om utens zal ik maar zeggen. Miskin verdient de kost met het schrijven van dagboeken voor allerlei mensen.
Merkwaardig is al gelijk dat Andes die brief helemaal niet leest, al zit je als lezer daar wel op te wachten: kom op man, lezen die brief! Sterker nog, het gaat het hele boek door over die brief maar we krijgen hem niet te lezen. Dit is uiteraard een geval van literaire pesterij: de lezer vol verwachting brengen en die verwachting vervolgens niet inlossen. Overigens krijgt Feldman tegen het einde van het boek die brief in handen, hij leest hem (de lezer krijgt hem natuurlijk niet te lezen) en hij blijkt hem dus helemaal niet geschreven te hebben. Weer pesten: je boek ophangen aan een brief van een vriend en die vriend heeft hem niet eens geschreven. Duidelijk een geval van de mop van de matrozen die naar Parijs gingen en weet je wat er toen gebeurde: ze gingen niet!
Er is wel meer in dit vermakelijke boek dat op literair plagen wijst. Er is bijvoorbeeld sprake van een pop die Andes in zijn kamer heeft, een soort troetelpop, later blijkt die pop steeds belangrijker te worden, er zijn figuren in Burberry jassen die er op azen. En wanneer in deel III van de roman Maxime Feldman de pen opneemt, om over het leven van zijn vriend Andes Miskin een boekje open te doen, lezen we dat hij in het vliegtuig opgelucht het boek Het raadselachtige verhaal van de pop dichtslaat. Dit is uiteraard het verhaal dat we zojuist in deel I en II hebben gelezen. Deze roman lijkt het meest op een toverdoos van verhalen in verhalen die weer bedacht zijn door schrijvers die boeken schrijven over schrijvers die bezig zijn met het schrijven van verhalen. Bent u daar nog?
Benali blijft een geëngageerde schrijver, dat spreekt bij hem vanzelf. Dus zitten er in de roman allerlei min of meer satirische zijpaden over bijvoorbeeld orgaantransplantaties, gespreksgroepen, de dwang je eigen biografie samen te stellen, het streven naar perfectie. Ook speelt de verwisseling van identiteit een grote rol. Zodra Feldman iemand heeft gevonden die tijdelijk de rol van Andes’ vader wil spelen, ruilt hij die rol direct in voor de werkelijkheid: hij wórdt de vader. Benali zorgde ervoor dat je als lezer nooit in de roman kunt wegzinken, het geheel blijft een merkwaardig marionettenspel waarin de raarste gebeurtenissen als normaal worden voorgesteld. Zelfs de zelfcastratie van de hoofdfiguur blijft iets gezelligs en toevalligs houden.
Misschien heeft de schrijver een keer al die ernstige literatuurkoppen een spiegel voor willen houden. En uiteraard ook zichzelf. Literatuur, wat is het eigenlijk? En ik, Benali, doe er nog aan mee ook. Aan een hoop verzinsels en geklets over vrienden, brieven, zoektochten, identiteiten, angsten, castratie en zelfvernietiging. Hij vond dat het tijd werd zichzelf (en ons) eens flink op de hak te nemen.
Kees ’t Hart
Abdelkader Benali – Feldman en ik. De Arbeiderspers, Amsterdam. 288 blz. € 17,95.
Deze recensie verscheen eerder in de Leeuwarder Courant op 5 ajnuari 2007.
