De recensie van dit debuut van Auke Hulst komt uit 2006.

Zwevende geest

In deze kleine roman zweeft een geest over Ameland en wie wil weten wat ik daarmee bedoel moet Jij en ik en alles daartussenin maar gaan lezen. Uitleg verraadt te veel. Aan het woord is gitaarbouwer Max Herder. Hij treurt over het vertrek van zijn grote liefde Sarah die hem op een dag voor zijn gevoel ‘zomaar’ in de steek liet. Ze heeft een nieuwe vriend, ene Mike, verblijft met hem op Ameland en Max bepeinst zijn gelukkige verleden met haar. Hij stalkt de twee geliefden en kwelt zichzelf met wat hij ziet en denkt. Max is het type nikszeggen-maar-wel-veel-denken en daar kon Sarah niet tegen en dus verliet ze hem.

Ik las dit eigenaardige boek met gemengde gevoelens. Aan de ene kant kreeg ik het steeds moeilijker met het verpletterende zelfmedelijden van die Max en vooral met diens verheven soapachtige gezwatel over liefde, geluk en vertrouwen. ‘Als een heelal een hart heeft, ben jij het. Heel mijn armzalige wezen: een planeet, geketend aan zijn ster door een grenzeloze kracht.’ Dit is het jargon van de supermarktroman en van de soapserie en ik begrijp natuurlijk best dat dit boek over grote gevoelens gaat die we allemaal wel eens hebben omdat we niet in een roman leven. Maar als het in een roman als deze maar door en door gaat, zonder dat er sprake is van de een of andere vileine tegenstem of tegenactie, dan begint de lachbui het al snel in me te winnen van de plechtige ernst. ‘jij en ik waren één ondeelbare realiteit, maar we hadden elk onze eigen kijk erop.’ Zo kan ie wel weer.

Of deze dialoog:

Hij zegt: ‘Er zijn mensen die denken dat het niet eens bestaat. Liefde.’
‘Volgens mij is het er altijd. Maar misschien in winterslaap. Of zoals in de woestijn. Alles is dor en leeg, totdat die zeldzame regen valt. Waar je maar kijkt, woedt het leven. Heb je dat wel eens gezien?’

Ja, vooral die winterslaap en die dorre woestijn, die heb ik als beeld van verloren liefde al honderden keren gezien. De schrijver abstraheert oeverloos over grote gevoelens en blijft op het aambeeld slaan van het overdreven narcisme van zijn held. Al die kwellingen waaraan hij zichzelf bloot stelt, al die rancune over het nieuwe vriendje van Sarah. Het is allemaal zo alleen maar zielig dat ik er luidkeels bij ging zitten gapen.

Toch kreeg ik al lezend ook waardering voor de hardnekkigheid waarmee deze schrijver zijn litanie vol zelfmedelijden doorzet. Verdorie, hij gelooft er echt in! Tegen het eind neemt het soapjargon ook wat af en begint Hulst steeds meer de gevoelens van zijn personages te tonen, in plaats van ze te benoemen. Maar hij blijft hardnekkig. Op de laatste bladzijde lijkt de
held zijn geliefde nog een keer te zien en dan staat er: ‘Je draagt rafelige sneakers, een spijkerbroek, een jas met een kraag van manen. Ik hou van je.’ Iemand had de schrijver ertoe moeten overhalen dat laatste zinnetje weg te strepen. Haal het weg, juist in die kale beschrijving laat de ik zien dat hij nog onverbeterlijk veel van haar houdt. Lezers zijn niet dom: laat ze de
dingen zien en red ons van de uitleg.

Kees ’t Hart

Auke Hulst – Jij en ik en alles daartussenin. J.M. Meulenhoff, Amsterdam. 158 blz.

Deze recensie verscheen voor het eerst in de Leeuwarder Courant op 24 november 2006.