Recensie: Gerwin van der Werf – Het Lied van Rosa
Een spetterende duik in de middeleeuwen
Bij romans over de middeleeuwen denk je al snel aan De Naam van de Roos van Umberto Eco. Met de titel Het lied van Rosa sorteert Gerwin van der Werf daarop voor. Niet erg bescheiden, wel terecht, want hij schreef een geweldig boek.
De belangrijkste verhaallijn uit Het lied van Rosa speelt zich af in het midden van de middeleeuwen, rond het jaar 1000, in het grensgebied van het huidige Duitsland en Frankrijk. Wanneer haar arme familie is uitgemoord door de trawanten van een misdadige edelman, vlucht Rosa naar een mannenklooster. Omdat daar alleen jongens worden aangenomen als noviet, besluit ze zich als man voor te doen. Rosa wordt Carolus, en dat vindt ze eigenlijk wel prima, want anders dan nonnen mogen monniken volop studeren. Overigens blijft ze in de roman overwegend Rosa heten.
Omdat God niet heeft voorkomen dat haar familie getroffen werd door een wreed lot, kan Rosa hem niet meer liefhebben. Maar het kloosterleven biedt de mogelijkheid om haar liefde op iets anders te richten: de Gregoriaanse zang die de kloosterlingen dag en nacht aanheffen. ‘Zingen houdt de kwade machten op een afstand. Zingen is haar redding.’ Al snel ziet het klooster de noviet met de opmerkelijk hoge en heldere stem als een aanwinst voor de kloosterliturgie.
Het lied van Rosa dompelt de lezer onder in het dagelijkse leven van een middeleeuws klooster, en in de vaak rommelig verlopende getijdediensten. Hoofdschuddend moet Rosa meemaken hoe vaste gezangen worden overgeslagen en psalmtonen onjuist ingezet. Antifonen zijn een ramp, halleluja’s een puinhoop, en nogal wat monniken slapen snurkend door de getijden heen. Maar of ze willen of niet: uiteindelijk gaan de eindeloos herhaalde psalmen iedere monnik onder de huid zitten. En ook de lezer.
Tijdens reizen naar andere kloosters, die Rosa in opdracht van de abt maakt, komen ook de middeleeuwen van buiten de kloosters in beeld, in geuren en kleuren.
Een tweede verhaallijn brengt de roman op spanning. In de jaren ’90 van de vorige eeuw doet een student muziekgeschiedenis, die vast niet geheel toevallig Friso van der Werf heet, onderzoek naar een middeleeuws graduale, een liturgisch boek waarin van de liederen niet alleen de tekst maar ook de muzieknotatie is opgenomen. Gaandeweg wordt duidelijk dat het betreffende graduale duizend jaar eerder door Rosa is gekopieerd én uitgebreid met enkele eigen composities. Een dergelijke persoonlijke toevoeging van de liturgie is een zonde tegen de starre voorschriften van de Rooms-Katholieke Kerk. Wat heeft Rosa tot deze toevoegingen gedreven? Is de droom waarin ze haar stem aan de duivel verkoopt, meer geweest dan alleen een droom?
Terloops krijgt de lezer tal van interessante wetenswaardigheden mee. Zo is het rond het jaar 1000 nog helemaal niet gebruikelijk dat er een kruis met een stervende Christus in een kerk wordt opgehangen. De monniken kunnen moeilijk wennen aan deze nieuwigheid. ‘Christus hing er maar een dag, op deze manier hangt hij er dag in dag uit. Alle dagen, de duivel lacht zich rot.’
Naast schrijver – o.a. van het Boekenweekgeschenk 2025 – is Gerwin van der Werf ook muziekdocent. Deze achtergrond heeft hem er ongetwijfeld bij geholpen de bijzonderheden van de middeleeuwse muziek op een heldere manier in zijn roman te verwerken. Dat Het Lied van Rosa toch geen erudiet geschiedenisboek is geworden, maar een sprankelende roman, heeft alles te maken met het schrijfplezier dat van iedere bladzijde af spat. Een enkel voorbeeld tot slot. Over een bisschop met een flinke wipneus schrijft Van der Werf: ‘Het lijkt alsof hij niet alleen met zijn grote ogen de schola (het kloosterkoor) in de gaten houdt, maar ook met zijn neusgaten.’
Mijn advies: kopen en lezen dit boek!
Frans Willem Verbaas
Gerwin van der Werf – Het Lied van Rosa. Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen. 454 blz. € 26,99.
(Deze recensie verscheen eerder in het Friesch Dagblad van 26 september 2026.)
