Een opstal zonder verzekering

Bij een opstal denk je misschien algauw aan een stevig gebouw, een schuur, garage, loods, of huis. Daarom roept de titel van de dichtbundel Opstal van Judith Herzberg in eerste instantie wat vervreemding op. Op de voorkant staat een abstract kunstwerk van de in 2025 overleden Ruscha Langelaan. Ook daarin kun je wat verdwaald raken: zie je een soort klauw die een bal of appel vastgrijpt, zijn het gevonden voorwerpen, is het een plattegrond? De bundel bergt een veertigtal nog niet eerder gepubliceerde gedichten, fragmenten, dialogen en liederen waarin heel helder Herzbergs stem te horen is: ogenschijnlijk eenvoudig, daaronder de diepte.

Hoofd

Karel de Grote past niet in mijn hoofd
ook niet compact, verkort.
Een auto past niet in mijn hoofd
Napoleon ook niet, en Hitler niet
Vooruitgang past niet in mijn hoofd
Het spijt me.
Een olieboorplatform ook niet,

jij past in mijn hoofd, bent
in mijn hoofd overgekookt

De taal is bijzonder eenvoudig, zelfs voor kinderen goed te begrijpen, al kennen die waarschijnlijk de namen van Karel de Grote, Napoleon en Hitler nog niet. De eenvoud van de taal contrasteert nogal met de historische lading die achter de namen schuilt. Deze figuren zijn met geen mogelijkheid in heldere taal te vatten. Je kunt er niet eens overzichtelijk over nadenken. Dat is ook wat het lyrisch ik opmerkt: het past niet in het hoofd. Een hoofd blijkt als opstal toch niet al te veel te kunnen bergen. Toch roept de tekst meteen het tegendeel op, want met het noemen van de namen doemt er toch een (in)complete wereld op in het hoofd van de lezer, waarschijnlijk in geen enkel hoofd dezelfde wereld, maar toch: een hoofd blijkt toch heel wat te kunnen bergen, een flinke opstal te zijn.

Daar kom je niet meer uit, je blijft erover denken. En waarom nu juist Karel de Grote? Wat doet dat olieboorplatform bovendien in de laatste regel van de eerste strofe? Ze lijken betrekkelijk willekeurig bij elkaar gezocht, maar in allemaal schuilt gevaar. Een ongeluk zit in een klein hoekje en willekeurige personen kunnen aanzienlijke delen van de wereld tot een ware hel ombouwen. En net als je denkt: pfff, dit is nogal wat bij elkaar, komen daar die twee slotregels, heel intiem, dichtbij en zo eenvoudig: de wereldgeschiedenis wordt aan de kant geveegd en jij verschijnt, want natuurlijk kan ‘jij’ mijn hele hoofd doen overkoken! Waarom eigenlijk? Omdat de ik verliefd is op de jij? Omdat de ik woest is op de jij? Omdat de ik zich maar geen raad weet met de jij? Ook daarin raak je niet uitgedacht.

Je moet er ook wel een beetje om lachen: die gewone ‘jij’ na al die historische figuren. Je moest misschien ook al een lachen om die tweede regel: ‘ook niet compact, verkort’, dat onwillekeurig een ‘Karel de Kleine’ oproept, en om dat ‘Het spijt me. / Een olieboorplatform ook niet’. De combinatie van dit alles roept vervreemding en ook een lach op, maar het is geen dijenkletser, het is een lach waaronder tragiek schuilt, want alles wat er inmiddels in je opgekomen is, kun je niet meer wegdenken. Je bent een lachende boer met kiespijn geworden.

Dat is nog maar het eerste gedicht. De bundel is heel divers. In die zin kun je deze wel vergelijken met een opslag: je kunt van alles tegenkomen. Zo is er een villanelle, een zestiende-eeuwse dichtvorm, opgedragen aan Ruscha Langelaan:

Wat ze zien in je werk is je sterkte.
Een kat en een vaas en een suikeren lucht
maar kopen wat ze niet merken.

Je slaperigheid, tegendraadserigheid
je gevecht tussen durf en gemakkelijkheid
wat ze zien in je werk is je sterkte.

[…]

Ze zien niet de mug die je man uit zijn slaap houdt,
zien niet de zorg die een gaas om hem heen bouwt
en zo kopen ze wat ze niet merken.

Gewassen gevouwen en daarna voorgoed
stilgeschilderd, de sokken en stapeltjes linnengoed.
En zo merken ze niet wat ze merkten
wat ze zien in je werk is je sterkte.

Ik zie een verwantschap tussen Herzbergs poëzie en Langelaans kunst: ‘je gevecht tussen durf en gemakkelijkheid’. Dit is wat Herzberg schrijft over Langelaan, maar je zou dit ook over Herzberg kunnen zeggen, want in haar poëzie ervaar je steeds een spanning tussen eenvoud en lef. Bij sommige regels vraag je je af hoe die in een bundel terecht kunnen komen, omdat ze zo simpel zijn. Daarvoor is lef nodig. Pas dan zie je wat eronder schuilt, of zou kúnnen schuilen. Hier gaat ook de villanelle over: je kunt een kunstwerk kopen en denken dat je een ‘kat en een vaas en een suikeren lucht’ hebt gekocht, maar wat gaat er ongemerkt mee in het schilderij? Wat moeten we tussen de regels door lezen in Herzbergs poëzie? Zou de dichter hier ook een stukje van zichzelf hebben herkend in Langelaans werk?

Diverse gedichten hebben een mooie of grappige clou, zoals ‘Nadruk verboden’, waarbij het gedicht begint met de troostvolle gedachte dat je niets meer hoeft, maar gedurende het gedicht raak je daarin opgesloten en dan kan het ook een ‘kwijnen’ worden in plaats van een troost. De vraag is overigens of ik nu niet in overtreding ben door een nadruk te leggen op dit gedicht. Wat dat betreft is Herzberg wel een dichter van de relativering.

Bij veel gedichten heb je het gevoel alsof er iemand tegen je praat en het gesprek al een poosje gaande is en je het eerste deel hebt gemist. Je valt ergens middenin en probeert dan een situatie te reconstrueren. Die reconstructie kan niet anders dan betrekkelijk zijn. Een opstalverzekering krijg je er als lezer niet bij. Het is lezen op eigen risico, maar daarvoor is het dan ook een bijzonder avontuur.

Dietske Geerlings

Judith Herzberg – Opstal. De Harmonie, Amsterdam. 48 blz. € 21,90.