Sardonische en scabreuze kwatrijnen

Het is maar een dunne grens tussen joligheid en ietwat mistroostige ‘sardonie’. Dichter/uitgever of uitgever/dichter Th. A. Sontrop, ofwel Theo, verkeerde in zijn poëzie en wie weet ook anderszins vaak in die lastig te benoemen tussensferen. Het komt tot uitdrukking in zijn eigenzinnige, niet zelden ook raadselachtige kwatrijnen, nu bezorgd door Maarten Asscher en Gerben Wynia onder de nog door Sontrop zelf bedachte titel Rijnlandse folteringen.

Geen vrije verzen zonder metrum, rijm of maatsysteem, maar oerdegelijke kwatrijnen. Juist die konden hem bekoren en aanzetten tot vederlichte joligheid, echter nooit gespeend van sardonische stootjes. Overzichtelijk en doeltreffend door hun strakke schema en kleine omvang van slechts vier versregels. Voor Sontrop, die naast zijn werk als redacteur bij Meulenhoff en later directeur/uitgever bij De Arbeiderspers, waar hij met Martin Ros de veelbezongen reeks Privé Domein begon, een ideaal genre.

Het schrijven van kwatrijnen, niet veel, maar wel consequent, moet voor hem een noodzakelijke uitlaat zijn geweest naast het uiteraard door veel praten gekleurde kantoorleven. Het was echter duidelijk ook meer dan dat. In deze postuum uitgebrachte bundel, Sontrop overleed in 2017, staan ook enkele nagelaten gedichten in andere versvormen.

In 1962 verscheen bovendien al de bundel Langzaam kromgroeien, terwijl in 1971 Marmerkijker uitkwam. Sontrop was dus wel degelijk een dichter, al kenden velen hem in de eerste plaats als charismatisch uitgever. Ook als literair ontdekker en/of ondersteuner van onder anderen J. M. A. Biesheuvel, Rudy Kousbroek, Anna Enquist, Maarten ’t Hart en Jeroen Brouwers.

Theo Sontrop en Gerrit Komrij, die eveneens vele jaren met hem samenwerkte in diens uitgeversmodus, prezen veelvuldig elkaars dichtwerk aan. Bezorgers Asscher en Wynia lopen in hun nawoord niet weg voor de vermoedens in dit verband, maar tekenen daar bij aan dat ze ook wel degelijk een literaire verwantschap bezaten. Net als Sontrop hield Komrij van strakke versificatie. En van spotternij. Niet te vergeten.

Naast de dus niet te missen sardonische toon, valt in Sontrops poëzie ook zijn verlustigende blik op de vrouwen in zijn omgeving op. Veel kwatrijnen in deze bundel zijn, als opdracht in een boek of als tekst op ansichtkaarten, gericht aan vriendinnen, vrienden en relaties, onder wie talrijke aan beeldend kunstenares Janneke Viegers, die zijn werk geregeld van bijpassende etsen voorzag. Ze suggereren een intieme relatie, op zijn minst een groot verlangen. Zoals in deze opdracht uit 1992 in een exemplaar van De liefde, natuurlijk van Carlos Drummond de Andrade (vertaald door August Willemsen):

Voor haar die naakt op ’t strand zichzelf streelde
voor hem die ver weg zich aan haar vertoonde;
mij later dat vertelde, mij in de ogen keek,
nu van nabij, toen ik even in haar woonde.

Daarnaast moet Sontrop steeds een diep gevoeld besef van tijdelijkheid hebben ervaren. Het thema komt geregeld voorbij, zoals in dit kwatrijn uit 1999 aan Henk en Molly Romijn Meijer:

De rug gekromd, het hoofd nog kaler,
’t gebit gevuld, de huid nog valer,
de voeten platter – gesteund door zolen –
vermaalt hem traagzaam ’s levens molen.

Eenmaal vertrokken uit het wereldje in Amsterdam, leefde Sontrop nog enige jaren teruggetrokken in een volgepropt huisje op Vlieland. Als voltijds dichter zou je kunnen zeggen. De productie nam echter niet evenredig toe en de thema’s verschoven maar lichtjes. Wat bleef waren de spotternij en het fatalisme-light:

Op zo’n eiland is het lachen:
badgasten ziet men donders veel.
Het geluk van al die mensen
vliegt je soms wel naar de keel.

André Keikes

Theo Sontrop – Rijnlandse folteringen. Verzamelde kwatrijnen en nagelaten gedichten. Bezorgd en van een nawoord voorzien door Maarten Asscher en Gerben Wynia. Van Oorschot, Amsterdam. 152 blz. € 22,50.