Afgelopen vrijdag, 9 oktober, overleed vertaalster Mariolein Sabarte Belacortu na een kort ziekbed in Amsterdam. Zij was een van de belangrijkste pleitbezorgers van de Latijns-Amerikaanse literatuur. Tilly Hermans, publisher at large bij Atlas Contact, werkte van 1968 tot 2001 bij uitgeverij J.M. Meulenhoff en haalt hier enkele herinneringen aan haar op.

Schrijfster en docente Spaans Mies Bouhuys zou het haar gevraagd hebben: ‘Waarom ga je na je studie niet boeken vertalen?’ Het kostte haar een slapeloze nacht, schreef ze later, maar toen besloot ze: geen carrière als docente, geen tolkenopleiding, ik ga literatuur vertalen. En dat zou ze haar hele leven blijven doen. Ze ontpopte zich tot een van de prominentste vertalers van de Latijns-Amerikaanse literatuur.

In 1970 verscheen bij Meulenhoff Mrs Caldwell spreekt met haar zoon van Camilo José Cela, een goede titel, vond ik. Ik werkte net twee jaar bij Meulenhoff als hulpje van redacteur Theo Sontrop, die Mariolein Sabarte Belacortu had gevraagd het boek te vertalen, haar eerste vertaling. We raakten bevriend, al heel snel want net als andere bezoekers moest Mariolein op de redactiekamer wachten tot Sontrop binnen was – hij kwam zelden voor 1 uur op kantoor, werkte in de nacht. Mariolein was stipt, hield zich aan deadlines, maar werd niet kwaad als ze moest wachten. We dronken samen koffie om de tijd te doden, en ze vertelde. Ze was ook toen, bij het inleveren van haar eerste vertaling, ontspannen – althans, zo leek het.

Cela was Spanjaard, Mariolein had een Nederlandse moeder en een Baskische vader, maar haar grote liefde werd Zuid-Amerika; ze reisde ernaartoe, verbleef weken, maanden achtereen in Peru, Chili, Argentinië, maakte er vrienden. Toen in begin jaren zeventig de Latijns-Amerikaanse romanschrijvers doordrongen in Europa, werd Mariolein een van de belangrijkste vertegenwoordigers van die literatuur. Vertalingen volgden zich in rap tempo op: van García Márquez aanvankelijk niet Honderd jaar eenzaamheid (dat vertaalde C.A.G van den Broek, maar in 2017 verscheen een nieuwe vertaling door Mariolein), wel De herfst van de patriarch, een roman die uit ellenlange zinnen bestaat, 6 als ik me goed herinner, een uitdaging heet dat tegenwoordig, ik zou zeggen: een rotklus. Maar ze speelde het klaar, evenals Bouwdoos 62 van Julio Cortázar, en kort daarna Het groene huis van Mario Vargas Llosa. Meer dan 70 romans en verhalen waaronder een boek dat me zo ontroerde: Liefde in tijden van cholera van Gabriel García Márquez.

Een van haar favoriete plekken was een boerderij in Peru aan het Titicacameer, waar vrienden woonden als ze niet in de hoofdstad Lima zaten. Mariolein vertelde over de feesten die er werden gevierd, over de lama’s, de honden, de mensen die er werkten. Toen ik voorzichtig vroeg of ik mee mocht, was ze resoluut: ‘Ga eerst maar Spaans leren, ik ga niet voor je tolken.’ Eens in de week ging ik toen naar de Von Zesenstraat, waar Mariolein me Spaans gaf, tot het werk bij Meulenhoff me weer helemaal opslokte.

Uit belangstelling voor de Indiaanse bevolking stelde Mariolein voor de Peruaanse antropoloog José Maria Arguedas te vertalen; ze ging zelfs colleges Quechua volgen bij Willem Adelaar in Leiden. Zo konden Nederlandse lezers genieten van diens roman De diepe rivieren.

Voor Poetry International vertaalde Mariolein de Spaanstalige dichters. Haar speciale aandacht ging naar de poëzie van de Argentijn Roberto Juarroz; ze benaderde zelf uitgeverijen en dankzij haar inspanningen verscheen bij Wagner en Van Santen een keuze uit zijn Verticale poëzie. Ze bleef zijn gedichten vertalen, ook toen ze ziek werd.

Mariolein was nuchter, zei een vriendin, ze kon geweldig vertellen, zei een ander, en ze wist veel maar overdonderde je niet met haar kennis. Hoewel ze er niet dol op was trad ze als het moest op de voorgrond, vertelde op de radio over het boek dat ze net vertaald had. Ze correspondeerde met de schrijvers die ze vertaalde, maar was geen bête bewonderaar. Toen ze zich liet ontvallen dat Márquez regelmatig in Amsterdam was om Colombiaanse vrienden te bezoeken, was ik stomverbaasd en verontwaardigd: we hadden de schrijver meermaals uitgenodigd voor een bezoek, zijn boeken waren een groot succes in Nederland, maar hij kon niet even langskomen bij zijn uitgeverij, die al zijn werk in vertaling uitbracht? Mariolein haalde haar schouders op, maar gaf toe dat ze een paar keer de Warmoesstraat – in de buurt was zijn logeeradres – op en af was gelopen in de hoop Márquez tegen te komen. En wat zou dan je zeggen, vroeg ik haar, nodig je hem uit?
‘Ik zou langslopen en hem groeten: Viva el rey de Macondo!’ Meer niet. Ze respecteerde zijn behoefte aan anonimiteit.

Hoe anders was dat met Vargas Llosa, die ook meermaals Nederland bezocht. Een heer, een intellectueel, hij gaf een lezing in de Gouden Kamer van de uitgeverij in onberispelijk Engels, en iedereen van enige importantie in de literaire wereld was er, althans, zo herinner ik het me. We hielden beiden van zijn romans, maar de man leek onbenaderbaar en zijn hoge greep op wereld en literatuur ging mij grotendeels boven de pet. Mariolein heeft hem bij mijn weten wel even de hand geschud.

En Julio Cortázar? Bij de receptie van Meulenhoff diende zich op een zekere dag een lange man aan met een grote bontmuts op. Een Rus veronderstelde ik – ik was naar beneden geroepen want het was ochtend, dus Sontrop was er nog niet. Hier stond Cortázar, een andere literaire held van me. Mariolein en Barber van de Pol, die omstreeks dezelfde tijd als Mariolein uit het Spaans ging vertalen, zouden hem die middag ontmoeten en kregen heel vriendelijk uitleg over hun vragen betreffende Rayuela een hinkelspel en Bouwdoos 62.
Mariolein schreef later een grappig stuk over hun ontmoeting, terug te vinden op de DBNL.

Schrijvers die een promotiebezoek brengen of op n buitenlands festival worden genodigd kunnen verloren lopen, zeker als niemand op de uitgeverij de taal beheerst die zij spreken. De vertalers Spaans, niet alleen Mariolein maar ook Mieke Westra en andere, ontfermden zich over de Spaanssprekende schrijvers die Nederland bezochten. Ze kookten thuis voor ze en nodigden vrienden uit die uit Chili en Argentinië gevlucht al jaren in Nederland woonden. Uitzonderlijk, vertalers uit andere taalgebieden hadden niet zo’n vanzelfsprekende houding tot hun schrijvers; althans, ik hoorde ze er nooit over.

Meulenhoff was in die jaren een van de belangrijkste uitgeverijen van Nederland, waar naast Nederlandse literatuur schrijvers uit alle talen werden vertaald, van China tot Noorwegen, Zuid-Amerika tot Zuid-Afrika en Oost-Europa. Vertalers stonden er naast de auteurs, zij waren de eersten die een auteur introduceerden, wij waren ons daarvan bewust. De uitgevers Laurens van Krevelen en Maarten Asscher besloten daarom de Meulenhoff Vertaalprijs in te stellen, om hun werk eer aan te doen, en Mariolein werd de eerste aan wie de prijs in 1997 werd uitgereikt ‘’vanwege haar jarenlange inzet ten behoeve van de Zuid-Amerikaanse literatuur’’. In 2010 kwam daar de Nederlands Letterenfondsprijs bij ‘voor de vertaler als cultureel bemiddelaar’.

Mariolein had het vermogen zich te verbazen en te vermaken met wat het leven ons voorschotelt. Ze drong zich in gezelschap niet op, ze was er, luisterde en stelde vragen, en al mijn vrienden, en vast en zeker ook die van haar andere vrienden, binnen en buiten Nederland, mochten haar heel graag, om haar vrolijke aanwezigheid, haar humor, haar belangstelling voor ons wel en wee. En zij hield op haar beurt van al die vrienden, en van haar poezen en die van haar vrienden. Ik heb stapels kaarten uit Zuid-Amerika van haar gekregen met een verhaal over een varken of een poes. Nu ze er niet meer is hoop ik dat iemand zich ontfermt over haar oude kater Pancho – ikzelf heb twee poezen en kan het daarom niet doen. Maar er is vast iemand, toch?

Tilly Hermans