22 euro en 99 cent

Daan Heerma van Voss kan niet rekenen. Het levert een smeuïge anekdote op in NRC, waarbij hij de ouderliefde van zijn moeder afmeet aan de verkoopprijs van haar – door hem liever niet gepubliceerd geziene – boek. ‘Iets minder dan 22,99 euro’ was Daan zijn moeder waard volgens zijn eigen berekeningen, die totaal niet kloppen. Heerma van Voss was zijn moeder minstens 22,99 euro plus het voorschot waard, waarmee je, mag ik hopen, toch al snel uitkomt op een paar duizend euro. Binnen de kinderhandel behoor je daarmee tot de bovenlaag.

‘22,99 euro’ is een pathetische gedachte, die middenin de rouw verklaarbaar is. Waar ik er met gevoelens van schaamte op zou terugkijken – een nog onderbelichte kant in memoires over de nasleep van verlies – herhaalt Heerma van Voss de anekdote met de voor hem zo kenmerkende afwezigheid van zelfrelativering gewoon in de krant. Nog fascinerender vind ik het dat hij in principe bewondering heeft voor zijn moeders overgave, ‘voor die rücksichtslosigkeit’. Hij streeft die mate van onafhankelijkheid immers zelf ook na. Hoe is het in hemelsnaam mogelijk dat een schrijver, die ook nog eens benadrukt overgave aan het schrijven na te streven, van plan is geweest de uitgave van een boek tegen te houden? Had Heerma van Voss dan niet beter, in plaats van zijn moeder te waarschuwen dat ze te veel in de emotie schreef, zichzelf kunnen beteugelen? Je mag toch hopen dat een schrijver ongeveer hetzelfde in het leven staat als zijn poëtica voorschrijft.

Zelf heb ik iets meegemaakt wat relatief vergelijkbaar is met Heerma van Voss’ casus. Mijn moeder werd levenloos gevonden in de warboel van een keuken, waar ook een broodmes rondslingerde. Nu had ze een paar dagen eerder een zelfmoordpoging gedaan, dus werd er aan dat broodmes heel veel waarde gehecht – zoveel er dat bij het op de hoogte stellen van de nabestaanden door haar impulsieve ex-man (mijn vader) werd gesuggereerd dat ze zich had omgebracht met dat ding. Dat kwam een gebrouilleerde zoon (mijn broer) goed uit, want zo kon die een Instagrampost maken waarin hij beschreef hoe mijn moeder zich uit het leven had gesneden en hoe dit exemplarisch was voor onze jeugd. Die post kreeg natuurlijk heel veel respons, bijvoorbeeld van mijn oude buurjongen. Mijn andere broer deed er alles aan om dat verhaal te ontkrachten en er was woede richting onze bemoeizuchtige vader.

Intussen liet ik het allemaal gebeuren, niet alleen omdat gelatenheid mijn karaktereigenschap is, maar ook omdat ik ten diepste geloof dat dit nou eenmaal is hoe mensen in elkaar zitten: iedereen probeert een zo draaglijk mogelijk verhaal van zijn leven te maken. Dat recht heeft ook mijn Instagram-broer. Dat ik nu door mijn geboortestad moet lopen met de gedachte dat de mensen om mij heen een man zien wiens moeder haar polsen heeft doorgesneden neem ik voor lief.

Een schrijver die ik bewonder – dat mag voor de accidentele vaste lezer van mijn stukken geen verrassing zijn – is Willem Frederik Hermans. Zijn nihilistische blik ervaar ik als waar en troostend. Ik probeer te leven naar zinnen als:

Ik ben me dus bewust dat het au fond geen zin heeft om andere mensen iets te verwijten, de mensen zijn zoals ze zijn. Zo zijn ze geworden, door erfelijkheid, door milieu, enzovoorts. Het heeft geen zin om je op te winden, het heeft geen zin om andere mensen dood te slaan, maar de mens is geboren met de faculteit om dat wél te doen, en die leeft ook in mij, al sta ik er zeer kritisch tegenover. Dat leef ik dus uit bij het schrijven.’

Het voorbehoud dat Hermans maakt, dat hij in principe tegen het je druk maken is, maar dat het ook heel menselijk is om je druk te maken, vind ik sterk. Zijn levenshouding is hard werken, geeft het aan, een constant jezelf corrigeren.

Zulk zelfcorrigerend vermogen wens ik Daan Heerma van Voss toe. Als je poëtica ‘rücksichtslosigkeit’ voorschrijft, en je voelt dat je iemand rücksichtslosigkeit wilt verbieden, is dat heel menselijk – wat je er daarna mee doet laat zien of je poëtica meer is dan een denkoefening.

Martijn van Bruggen