Kort voor de capitulatie

Wat is de rol van de schrijver in het algemeen, in het bijzonder tijdens, om het eufemistisch uit te drukken, geopolitieke strubbelingen? Een gids, een chroniqueur van de tijdsgeest, een waarschuwende vinger aan de pols? Of misschien toch ook, door de verschoven, meer indringende kijk op de wereld van de literator, een orakel, een visionair?

Els Snick, Joseph-Rothdeskundige en voorvechter pur sang voor diens literaire en journalistieke werk, selecteerde in de bundel Hakenkruis in het knoopsgat een aantal essayistische krantenartikelen van Roth uit de periode van 1923 tot 1939. In een stuk uit maart 1938 geeft Roth zelf antwoord op de vraag:

Volkeren vergaan, rijken verdwijnen. (Zo ontstaat geschiedenis.) De schrijver heeft de plicht om de merkwaardigheden en tegelijk het typische menselijke te bewaren uit wat vergankelijk is en verdwijnt. Hij heeft de grootse en bescheiden taak om persoonlijke wederwaardigheden te verzamelen die de geschiedenis, schijnbaar blind en lichtvaardig, laat vallen.

En dat heeft Roth op indringende wijze gedaan, zo blijkt uit de snedige, haarscherpe stukken. Roth geeft zonder een blad voor de mond te nemen de pijnpunten aan. Het verlies van de Europese cultuur door ‘de luidsprekers die de schreeuw van het bloed overstemmen’ gaat hem echt aan het hart. Middenin de turbulentie is hij het oog van de orkaan, de stilte, reconstrueert gaandeweg de ontwikkelingen, de radicalisering.

Je voelt met hem mee, merkt dat zijn inzichten resoneren in de huidige tijd. Ook nu staat het Europa van de geest denkelijk kort voor een capitulatie. Het regulerende vermogen is ook nu zo goed als kwijt, opgeslokt door valse sentimenten.

Roth beschrijft de impact van de ‘baanbrekende dictaturen’ op de jongeren, op de maatschappij in het algemeen. Een conducteur in de trein, een beroep met een zekere autoriteit, eet van de armoe wat restjes bonbons op, achtergelaten door een passagiere. Zoals in al zijn werk glorieert ook in deze essays het detail, het tragikomische, het lijden aan de toestand van de wereld, van de geboortegrond, het vaderland. ‘Ik droom een carnavalsdroom die Duitsland heet.’ Roth is een waarnemer die tegelijkertijd slachtoffer is. Het regulerende vermogen in zijn wereld is kwijt, opgeslokt.

Roth spaart niemand – ‘Zo luid als de Duitse dichters nu zwijgen, hebben ze nooit gesproken’ – ze zijn over het algemeen in de voetsporen van Goethe op een echte of abstracte reis naar Italië, lekker op zoek naar hun innerlijk evenwicht, terwijl er voren van bloed worden getrokken door de fascistische ploegen. De Weimarrepubliek is al snel niet veel meer dan een legende.

Een artikel in de Frankfurter Zeitung van 29 april 1924 over de verkiezingsstrijd in Berlijn van amper drie boekbladzijden lang, geeft een duidelijk beeld van de verwrongen situatie. Partijen die elkaar beschuldigen ‘on-Duits’ te zijn, maar dat op een dermate manier doen, zeg maar in gotisch schrift, dat ze daarmee juist bewijzen hoe typisch Duits ze zijn, onbedreven in het overschreeuwen, waar de zwart- en bruinhemden zo goed in zijn. Roth prikt overal heel precies doorheen. In tegenstelling tot de plichtbewuste feuilletonisten die van de verkiezingsstrijd een oorlogstafereel maken.

In ‘Dictatuur in de etalage’ laat Roth precies zien hoe in het Italië de verering van Mussolini is georkestreerd, hoe de massa in de verafgoding trapt, inclusief oerkreten, poses en tenues die over de top zijn. De ernst die het kolderiek maakt, maar daarom niet minder gevaarlijk. Mussolini zelf is een karikatuur van een mens. Het is hilarisch beschreven, maar de poppenkast is natuurlijk pijnlijk. Roth vraagt zich af wanneer er nu eens portretten van de grote leider worden getoond waarop hij ontevreden is, geeuwt, neerhurkt, zijn jasje uittrekt.

Hij laat daarmee voor de goede verstaander zien hoe onecht de grootsheid eigenlijk is, welk een gefabriceerd geheel het is, een farce, een ‘politiek kanon’ dat zich groot heeft laten maken. Kinderen in de meest bizarre uniformpjes doen hem denken aan ‘kanaries die in gevangenschap geboren worden en melodieën aangeleerd krijgen door een mens die vogelgeluiden imiteert. Als ze toevallig ooit vrijkomen, kunnen ze niet meer fluiten.’

Hakenkruis in het knoopsgat is een erudiet en geestig getuigschrift, zoals je van Joseph Roth mag verwachten. Moge het, zoals Roth het noemt, ‘het schamele restant van de wereld dat nog een publieke opinie heeft’, tot lering zijn.

Guus Bauer

Joseph Roth – Hakenkruis in het knoopsgat. Over fascisme, 1929-1939. Voorwoord Geert Mak, bezorgd en vertaald door Els Snick. Van Oorschot, Amsterdam. 112 blz. € 15.