Recensie: Joseph Roth – Job
De wonderrabbijn
De teksten van Joseph Roth (1894 – 1939) hebben een hoog ‘belevingsgehalte’, een onderliggende drive, die gevoed wordt door de ogenschijnlijke eenvoud, het doorleefde, de ingetogen geestigheid. Ook de door Els Snick opnieuw vertaalde roman Job heeft daarnaast iets betoverends, een muzikale cadans. De roman is sinds de verschijning in 1930 steeds weer opnieuw uitgebracht.
Wanneer je deze vertaling naast de derde Nederlandse versie uit 1980 legt, valt op dat weliswaar het geheel is gemoderniseerd, maar dat er, uiteraard zou je zeggen, aan het gevoel van het boek niet is getornd. Je hebt precies dezelfde connectie. Iets wat bij hertalingen niet altijd vanzelfsprekend is. De versie verschenen bij Atlas in 2007 – in vertaling van Wilfred Oranje en Elly Schippers – kent weer andere nuances. Puur taaltechnisch is het naast elkaar leggen van de verschillende uitgaves een interessante zoektocht. De inventiviteit van de verschillende oplossingen is bewonderenswaardig. Het geluksgevoel van het betere spitwerk.
Literatuurwetenschapper en schrijfster Els Snick is als voorzitter van het Joseph Roth Genootschap een ware pleitbezorger voor het beschikbaar én levendig houden van het werk van de zeer productieve journalist en romancier, die een kort, roerig en ontheemd leven leidde, de wandelende Jood in persona.
(Voor de gelegenheid, de typische ‘Rothiaanse’ atmosfeer, nemen we even plaats in café de Engelse Reet in de Amsterdamse Begijnsteeg, pal onder het koperen bordje dat de aanwezigheid aldaar van Joseph memoreert.)
De bijbelvertelling Job moet in dit geval slechts gezien worden als een ‘profielschets’. De eenvoudige Joodse godsdienstleraar Mendel Singer heeft door het noodlot zijn geloof welhaast verloren, maar uiteindelijk komt het uit onverwachte hoek toch nog allemaal goed, God, het leven, blijken uiteindelijk genadig.
Draaipunt in de roman is de jongste zoon Menoechim. (In het Hebreeuws afgeleid van ‘trooster’) Al vanaf de geboorte is hij zwaar gehandicapt, zowel lichamelijk, als geestelijk. Het enige dat hij na een paar jaar kan uitbrengen is ‘mama’. Zijn moeder Debora beweegt bijna letterlijk hemel en aarde. Zolang ze bij hem blijft, zal hij, zo heeft een rabbi gesproken, uiteindelijk genezen, omdat de pijn hem wijs maakt, de lelijkheid goedmoedig, de bitterheid mild en de ziekte sterk.
Het leek of de gezonde kinderen kracht ontleenden aan hun gebrekkige broertje, en Debora haatte hun geschreeuw, hun blozende wangen, hun rechte benen. [..] Menoechim was de laatste, mislukte vrucht van haar lichaam, het was alsof haar schoot weigerde nog meer rampspoed voort te brengen.
Prachtige scènes tussen Mendel en zijn vrouw, over de veranderende lichamen, het einde van de begeerte. De oorlog tussen Rusland en Japan. De ene zoon gaat met graagte het leger in. De andere zoon wordt – hoe actueel ook – het land uitgewerkt. Beiden zullen de ouders wel nooit meer zien. En dan dreigt dochter Mirjam verloren te raken aan de kozakken.
Er moet echt iets worden ondernomen. Op dat moment biedt de gevluchte zoon uitkomst. Hij heet ineens Sem en is in Amerika een succesvol zakenman geworden. Bij monde van compagnon Mac nodigt hij Mendel, Debora en Mirjam uit. Prachtige spraakverwarring tussen Mac en Mendel.
Ze besluiten de overtocht te maken, laten Menoechim bij een ‘goede buur’. Als een omen van het lot, een zwaar dilemma voor Mendel en Debora. Als ze blijven gaat Mirjam ten onder, gaan ze weg, kan alleen een wonder Menoechim redden.
Amerika overkomt hen allen, Amerika vermorzelt Mendel. De vermorzeling die heel dichtbij het leven van Roth zelf komt, de man in het niemandsland. Mendel wandelt door de tijd zijn oude dag tegemoet, wachtend op bericht uit het oude land. Tot overmaat van ramp moet Mirjam worden opgenomen in een psychiatrische inrichting. (Een verwijzing naar de vrouw van Roth zelf, die in gesloten instellingen verbleef.)
Mendel – de taal van Roth een tragisch-heroïsche hoogtepunt – glijdt steeds meer af in lethargie, verwordt tot een manusje-van-alles voor de buurt, iemand die door bazige vrouwen heen en weer wordt gecommandeerd. Hij begint naar de Italiaanse wijk te gaan om varkensvlees te eten. De Joden om hen heen denken dat hij zijn verstand aan het verliezen is, maar hebben evenwel ‘respect voor de heiligheid van de waan’.
Het is fijn meesappelen met de familie Singer. Gelijk in het boek Job, vindt er uiteindelijk ook een zuivering plaats, dankzij Menoechim. Een happy end, maar dat niet op de Amerikaanse rolprentmanier, maar puur in de Joodse traditie Gesterkt in het geloof mag Mendel alsnog uitrusten van ‘de zwaarte van het geluk’. Ontroerend door de afwezigheid van vale nostalgie en sentimentaliteit.
Wat is het verschil tussen een Joodse pessimist en een Joodse optimist. De pessimist zegt: ‘het kan echt niet erger’. De optimist: ‘natuurlijk wel!’
Tot slot moet gezegd dat net als bij Aardbeien van Roth dit werk ook weer mooi geïllustreerd is door Koen Broucke, ditmaal in zwart-wit. En daarmee is het toch weer een unieke aanvulling, een verzamelobject voor de liefhebber. En welke rechtgeaarde lezer is dat niet?!
Guus Bauer
Joseph Roth Job. Vertaling: Els Snick. Illustraties: Koen Broucke. Van Oorschot, Amsterdam. 235 blz. € 25.
