De onderstaande recensie komt uit 2006.

Dat blije lachen

‘Vivian is dood.’ Zo begint de roman Roes van Carla Bogaards en al direct daarop worden we de merkwaardige wereld binnengepraat van heldin Isabel die haar hele hebben en houwen ongegeneerd aan ons uit serveert. Ze hoort het bericht over het overlijden van haar beste vriendin wanneer ze alleen thuis is, ‘op mijn hond na dan, je zou kunnen zeggen dat mijn hond praktisch mijn schaduw is, ze volgt me overal’. Ik kon er niets aan doen maar hierover schoot ik in de lach: na een superdramatische mededeling gelijk aan het babbelen slaan over een trouwe hond.

Zoiets zet wel de toon in deze uitvoerige roman over het zielenleven van een vrouw die op de rand van stress, jaloezie, depressie en wat al niet verkeert en ons daarover bijna gezellig bijpraat. Lachen kun je beslist ook met deze heldin die de onderworpenheid aan haar minnaar, ‘de pianist’, aan de lopende band probeert weg te rationaliseren, die genoeg heeft van haar vriendinnen maar daar niet voor uit wil komen, die niet te veel lastig gevallen wil worden door haar kinderen uit eerdere huwelijken en die zich bijzonder druk maakt over haar uiterlijk, kleding en uitstraling op de rest van de wereld. ‘Ik sloofde me uit om er picobello uit te zien, behalve het gebruikelijke douchen en smeren, gescrubde voeten, gelakte, gevijlde teennagels, witte, open hoge hakken, echt hóóg, Italiaans ontwerp.’ En dat nog maar alleen als ze de eerste keer naar de hypnotherapeute gaat: ‘Hierop kan ze in elk geval geen kritiek hebben.’

Ik heb hier keihard om gelachen, eerlijk is eerlijk, al wist ik af en toe bij deze roman toch niet of dit echt de bedoeling was. Want in sneltrein vaart trakteert Bogaards ons op zo ongeveer al het moderne leed dat je als vrouw van een jaar of 45 zoal kan overkomen: hypernerveuze bemoeizuchtige vriendinnen, onbegrip, depressieve kinderen, jammerlijk gestorven ouders, ziektes, getob over uiterlijk, verlatingsangst etc. etc. Heel mooi zijn de ruzies met haar vriendje, de pianist, die ergens over beginnen en na twee bladzijden weet niemand meer waarover ze ook weer gaan, de lezer niet, maar ook de heldin zelf niet die daar vervolgens vrolijk overheen praat. Ook mooi zijn de gesprekken tussen vriendinnen die vaak cirkelen rond de vraag wie het meest depressief is en wie het meest aan vraatzucht of verhongeringsdwang lijdt.

Prachtig getroffen is de voortdurende ondergrondse valsigheid tussen vrouwen die elkaar het liefste op de bek willen timmeren maar dat weten te verbergen achter geglimlach en vooral oeverloos tuthola gebabbel. ‘Als we klaar zijn met omhelzen, kussen we elkaar snel een paar keer met tuitlipjes, we blijven dat blije lachen houden.’ Die Isabel. Ik begon van haar te houden, ondanks al dat zelfmedelijden en oeverloos relatiegedoe, ze heeft iets vrolijks en spontaans in taal en handelen, ook al werd ik er wel eens doodmoe van, maar ja, ik ben een man die het fijne natuurlijk nergens van snapt. Ze laat zich absoluut niet kisten door al die gekken om zich heen, ook al is ze misschien zelf de grootste gek van allemaal en laat ze zich leiden door de raarste invallen.

Ze begint bijvoorbeeld alvast een kamer te ontruimen voor het geval de pianist toch bij haar wil komen wonen. Maar waar moet alles heen in haar te kleine huis? En dan staat er deze onsterfelijk komische zin: ‘Papa’s kunstbeen wil ik nog steeds niet bij het grofvuil zetten, die gaat naar het kastje van de centraleverwarmingsketel.’

Kees ’t Hart

Carla Bogaards – Roes. Nieuw Amsterdam; 310 blz.

Deze recensie verscheen voor het eerst in de Leeuwarder Courant op 17 februari 2006.