‘Oh god, het is toch geen magisch-realisme’

Ze begint een oeuvrebouwer te worden. In tien jaar schreef ze zeven boeken. Haar publiek wordt steeds groter. Het is een trouw publiek. Wie eenmaal valt voor de verhaalkunst van Rascha Peper blijft de schrijfster volgen. Vlak voor haar vertrek naar New York spreekt Rascha Peper over haar nieuwste boek Dooi, de recensies en haar afkeer van de autobiografische literatuur.

Is Dooi ook weer geschreven naar aanleiding van een van de krantenknipseltjes uit je befaamde schoenendoos?

Het is inderdaad gebaseerd op een ware geschiedenis van iemand die vast kwam te zitten in het ijs. En daar las ik in de krant over. De laatste strenge winter die we hebben gehad, toen de Elfstedentocht werd gereden, heeft het de hele januarimaand gevroren en op het moment dat het ging dooien stond er een stuk in de krant over een man die vast zat met zijn boot bij een eilandje. Weliswaar niet op het IJsselmeer, maar in het Gooimeer. Ondanks de dooi was het ijs nog steeds zo verschrikkelijk dik dat hij er niet wegkon. Dat bericht heb ik meteen uitgeknipt. Ik vond het een mooi uitgangspunt voor een novelle. Een hele roman zit daar niet in.

De sfeer die je beschrijft komt heel authentiek over. Heb je ook zelf ergens vastgezeten in de kou op een eiland?

Nee, het is je taak als schrijver om je in zo’n sfeer in te leven. Ik vond het begin heel moeilijk om te schrijven: een man die zulke saaie omstandigheden zit. Ik dacht steeds dat het te saai zou zijn en dat lezers het weg zouden leggen. Maar ja, op dat gegeven van het isolement is het boek gebouwd. Juist doordat hij vereenzaamt, staat hij open voor andere ervaringen, zoals die ontmoeting met een andere vrouw. Dat zou anders waarschijnlijk anders niet zo’n invloed op hem gehad hebben.

Dit is wel weer een typische hoofdpersoon die hoort bij je andere werk. Weer een eenling.

Dat viel ook meteen op in dat krantenbericht. Ik dacht: dit zijn mooie omstandigheden voor in een boek. De man zelf, die ik bij mijn voorbereiding gesproken heb, lijkt totaal niet op het personage in het boek. Het is natuurlijk een karakterinvulling die bij mij hoort. Het past ook bij de omgeving: iemand die een beetje gedesillusioneerd is en een teruggetrokken bestaan leidt. Dat gaat wel op voor veel van mijn personages. Mensen die de realiteit maar amper aankunnen, vasthouden aan een droom of obsessie of fantasieën, die het hen mogelijk maakt een eigen leven te leiden buiten de realiteit. Deze man is wel gebonden aan de realiteit, maar als het boek begint krijgt hij hallucinaties. Hij begint te lijden aan zijn eenzaamheid.

Hans Goedkoop schreef naar aanleiding van Een Spaans Hondje dat uit die roman heel duidelijk jouw opvattingen over het schrijven te halen zijn. Dat is bij dit boek ook het geval. Er staat een nogal bozig stukje in van de hoofdpersoon over literatuur: ‘Ik ontdekte op zeker moment dat ik een hekel aan literatuur had gekregen. Dat ik eigenlijk geen cent meer gaf voor al die auteurs; althans, voor negentig procent ervan. En de tien procent die overblijft, zit niet op mij te wachten. Het is eigenlijk veel prettiger om met zakelijke teksten te maken te hebben. Gewoon, interessante informatie. Literatuur is voor het grootste deel pretentieuze egotripperij.’ Ik dacht hier spreekt de schrijfster.

(Rascha Peper barst in lachen uit.) Ja, nee, ja, dat is natuurlijk zo. Wat hij zegt is mij ook wel uit het hart gegrepen. Het is wel een beetje ridicuul al die boeken met dat gepsychologiseer over je eigen leven of de verwerking van je leven. Ik houd niet van die boeken die uitgebreid ingaan op een ziekte of van die weduweboeken. Het is vervelend om zo in het leven van ander gedrongen te worden tegen wil en dank. Waarmee ik niet wil zeggen dat het niet mooi kan zijn. Jeroen Brouwers heeft prachtige autobiografische romans geschreven, die heeft zijn eigen leven tot roman verwerkt. Reve ook.

Het lijkt wel een van de belangrijkste stromingen in onze literatuur te zijn.

Op Oesters na ben ik nooit zo aan dat genre begonnen. Ik vind het wel prettig, misschien is dat wel veilig hoor, om personages te kiezen die iets verder weg liggen bij mij, alhoewel ze natuurlijk ook getroffen worden door zaken waardoor ik ook getroffen word. De ontroeringen en je eigen ervaringen schrijf je aan je hoofdfiguur toe.

Maar over veertig jaar bij de erfenis van Rascha Peper kunnen we niet opeens heel veel dagboeken verwachten?

Ik houd geen dagboeken bij. Ik heb ook niet stiekem een autobiografische roman in de la liggen. Het blijft beperkt tot een aantal verhaaltjes die ik misschien nog op de en of andere manier verwerk.

De kritiek heeft op Dooi nogal negatief gereageerd. Critici vinden het te uitleggerig en hebben vooral veel bezwaren tegen de symboliek.

Dat is inderdaad veel gezegd in de kritieken, terwijl ik helemaal niet ervan houd om passages symbolisch in te kleuren. Maar dat is het vervelende van critici: die gaan met hun verstand een boek ontleden. Die denkt: kraai, hé wacht, dat is een onheilsprofeet en een symbool van de dood. Dat is natuurlijk ook wel zo, maar dat wil niet zeggen dat het er om die reden in is gestopt. Ik had bijvoorbeeld, het klinkt natuurlijk onnozel, een heel andere reden. In Oesters komt een figuur voor die een hekel heeft aan kraaien en daar hebben ze ook een wat lugubere rol. Ik had daar een beetje wroeging om, want ik vind kraaien leuke beesten die veel kunnen leren, erg slim zijn en spelletjes bedenken. Ik had altijd in mijn achterhoofd dat ik kraaien iets anders zou moeten beschrijven. Bij dit boek dacht ik eerlijk: nu is mijn moment om die kraaien eens een keer leuk neer te zetten. De man die echt in het ijs had vastgezeten had het alleen over konijnen. Maar wat moet je nou met konijnen? Het is leuk om het gedrag van kraaien te beschrijven. En daarom zijn ze erin gekomen. Nou weet ik ook wel dat ze een symbolische waarde hebben, maar dat was mooi meegenomen. En nog wat. Er overkomt die man helemaal geen onheil, er gebeurt juist iets heel moois.

En de namen?

Er is maar één naam die ik echt heb verzonnen: Nerwanen, de naam van het meisje, vanwege de associatie met nirwana. Voor de rest van dacht ik er niet zo bij na. Ja, zo’n naam als Saarloos, van de hoofdpersoon, daarvan ga je eerst na of je die naam al eerder hebt gelezen of dat het een bekend figuur is of zoiets. Het was een mooie naam en ik dacht: dan kan ik hem er ook nog een grapje over laten maken. Dat dient zich zo aan, dat is niet symbolisch bedoeld. Harnasman, de naam van het schip, kun je opvatten als een symbool van het pantser van de Saarloos tegen de buitenwereld zoals de critici zeggen, maar in werkelijkheid opperde een vriend van mij die naam. Hij wist veel van vissen en had het over de harnasman, dat is gewoon een vis. Dat is dan aardig als naam voor het schip: zo gaat dan. Die symboliek die al die critici eruit halen zogenaamd, die stop ik er nooit bewust in. Dat dient zich haast organisch aan tijdens het schrijven.

Dooi gaat een stapje verder dan je voorgaande boeken. In plaats van een droom of een fantasie lijkt er nu sprake te zijn van een bovennatuurlijke ervaring.

Halverwege het schrijven dacht ik opeens: Oh god, het zal toch geen magisch realisme zijn?

Dat zou wel heel erg zijn.

Gelukkig is het dat dan ook niet. Hoop ik. Wat me aan de kritieken ook opviel is dat ze het allemaal zo voorspelbaar noemden. En ze vinden het dan niet erg om maar meteen te verklappen dat het meisje in werkelijkheid dood is. Ik vind dat helemaal niet voorspelbaar. Sterker nog: dat meisje is waarschijnlijk helemaal niet dood. Ze heeft waarschijnlijk een andere naam opgegeven. Het gaat er juist om dat Saarloos op een gegeven ogenblik ophoudt met haar te zoeken en genoegen neemt met zijn ervaring. Hij projecteert die in een vrouw die al een jaar dood is. Hij verkiest dat boven de werkelijkheid. Dat vind ik dus niet zo voorspelbaar.

Maar je laat wel open dat het een bovennatuurlijke ervaring kan zijn.

Natuurlijk, zo vat Saarloos dat zelf ook op. Maar dat komt omdat hem dat goed uitkomt. In de werkelijkheid kan hij toch niets met die vrouw. Hij gaat zijn vrouw niet in de steek laten. Hij buigt zijn verliefdheid om naar die dode vrouw.

Het einde van het verhaal laat die bovennatuurlijke lezing in stand. In een gesprek met de Dood, die hem komt halen, komt die aparte wereld terug, waardoor je denkt dat de pagina die daarna volgt in dezelfde soort tussenwerkelijkheid speelt waarin Bente Nerwanen ook bestaat.

Hij gaat niet dood. Het gebeurt alleen in zijn fantasie. Hij denkt na over wat er gebeurt als de dood hem komt halen. Maar in jouw versie… (Peper begint opnieuw hardop te lachen.) In jouw versie is het toch magisch realisme!

Zo heb je het niet bedoeld?

Nee.

Je hebt in de pers over het algemeen een wat zuinige ontvangst. Critici vinden bijna altijd je vorige boek mooier. In de Volkskrant zit Arjan Peters steeds te zeuren dat je te braaf bent. Zit er in het algemeen niet vaak een dédain in voor verhalende literatuur?

Het is altijd hooguit aardig, maar het is niet de echte literatuur. Wat dat betreft zit ik een beetje buiten het literaire circuit en dan bedoel ik vooral de schrijvers van al die boeken over dode vaders en mannen. Toch voel ik me wel degelijk in een traditie wortelen, een traditie van vertellers. Elsschot, Bordewijk en de oude Russen zijn ook allemaal vertellers. Dat is een traditie waarop ik graag voortborduur. Ik lees ook graag vertellers. Ik wil meegesleept worden in een verhaal.

Coen Peppelenbos

Dit interview verscheen eerder in Tzum 7, 1999.

0