Ik wil geen weemoed die niks kost

Het is niet verrassend dat de langverwachte nieuwe bundel van Menno Wigman, Mijn naam is Legioen, met zoveel instemming wordt ontvangen. Zijn ontluisterende gedichten zijn zoals je voor een schoolklas zou uitleggen wat een gedicht is. Een Bijbelverwijzing in de titel en ook critici kunnen zich uitleven. Wigmans dichterlijke vakmanschap kan ook na deze bundel geprezen worden: hij kan bouwen en afwerken, voegen en frezen. Maar wat gebeurt er met de scherpe randjes als je begint te vijlen?

Voor wie in de essaybundel Red ons van de dichters diens openhartige worsteling met het schrijverschap heeft gelezen, heeft het iets ongemakkelijks het werk van Menno Wigman kritisch te beschouwen. Wigman: dichter vol van zelfverwijt, voor wie het schrijven ernst is, geobsedeerd door de zelfkant, de mens zoals de mens onder tl. Wigman is er, zo meen ik althans, met nog geen handvol bundels meer dan ieder ander de afgelopen vijftien jaar in geslaagd een ‘moderne klassieker’ te worden: geworteld in de vorm van een rijke poëtische traditie zit hij de tijd op de huid. Die tijd, de late moderniteit is, zo zou de socioloog Zygmunt Bauman zeggen, ‘vloeibaar geworden’: het ontbreekt ons aan houvast, aan morele richtingwijzers. Alles kan, maar wat heeft zin? Op kantoren schijnen mensen er als hun toegangspasjes niet meer werken achter te komen dat ze zijn ontslagen. Menselijke relaties zijn broos en betekenisloos want toch niet voor altijd – liquide liefde voor een half uur misschien, een nacht, een kerstdiner. Zei iemand dat er weinig te lachen viel? Dan dit:

Tot mijn pik

Het wordt wat koud. De dagen zijn van glas,

gewapend glas en Seroxat. Zocht ik

een woord voor alles waar geen woord voor is,

ik geef het op. Je bent een zak, een zak

ben je dat je ook nu weer dicht. En jij,

mijn pik, wat hebben we vandaag verricht?

Ik wil geen weemoed die niks kost, kom op,

je slaapt al dagen in mijn broek, zo moe

van wie je ziedend van je zaad ontdoet.

Geen hoop, geen zin, geen bedvriendin. En naakt

als water sliert wat heupwerk door mijn hoofd.

Oktober. Veertig en geen bed werkt over.

Ooit wist je alles van genot. Iets met

voltage, wijsheid – ach mijn sleutel tot.

Ik heb Wigman eerder een ‘zwarte romanticus’ genoemd. Dat laatste neem ik terug. Voor nu althans. Dit openingsgedicht is een Openingsgedicht dat geen illusies koestert. De mannelijke vergankelijkheid (‘Ooit…’) past in een hand. Nog niet eens een kwakje hoop. Zo is Wigman op zijn best: glashelder en nietsontziend. Dan te bedenken dat verderop in de bundel een man ’s nachts na een zondags bezoek aan Tuincentrum Osdorp onder de pc zijn zaad aan het ‘opvegen’ is. Gedichten schrijven is angsten bezweren, zegt Wigman. Zoals hier bewezen wordt. Mijn naam is Legioen is een hymne van moderne desillusie.

Maar hoe doet Wigman dat toch, de lezer zo bij de kladden nemen zonder dat het – Weltschmerz, zelfbeklag, pathetiek – meelijwekkend wordt? Het is wellicht verderfelijk volgens de romantische lezer, dat ‘kapotanalyseren’ van zulke ‘oprechte’ poëzie. Maar sinds Wigman zelf in een interview in de Volkskrant bij hem in de keuken liet kijken (hij gebruikt Het Juiste Woord en een rijmwoordenboek) hoeven we niet bang te zijn de gedichten van hun mystiek te ontdoen: dat heeft de dichter al gedaan. ‘Ik speel niet vals,’ zei Wigman, ‘ik ben als een stratenmaker die in een rechte lijn van begin tot eind werkt’. Net zo pretentieloos: hij heeft ‘mooie woordenlijstjes’. Hoe ontluisterend is dat geheim van de chef? Ik kan niet goed zeggen waarom, maar ik had het liever niet geweten. Romantische inborst vrees ik. Dichters werken niet. Die lijden en drinken. (Zo las ik althans in Red ons van de dichters.)

Niettemin, Wigmans stelling lijkt dat als een gedicht is goed omdat het goed in elkaar zit, loopt en klinkt, er vakmanschap nodig is om de stenen (woorden) te kiezen en in de juiste ‘regel’, in de zin van metselverband, te leggen. Misschien jammer voor de romantici die nog zwoeren bij het Oprechte Grote Leed, maar er valt veel voor te zeggen. Voor zo’n gedicht ‘uit een stuk’ heb je maar een thema nodig (vergankelijkheid) en een coherente vorm. Zonder spot: het gaat hier niet om ‘het trucje van Wigman’, maar om een vormarsenaal, een gesigneerd Procedé waaraan men de maker herkent. Over Wigmans consistente metrum – vijfvoetige jambe – en de welluidendheid van zijn poëzie door gebruik van eindrijm, binnenrijm, klankrijm en alliteratie is al veel gezegd. Zo klinkt het: ‘je slaapt al dagen in mijn broek, zo moe/ van wie je ziedend van je zaad ontdoet.’  ‘Virtuoos’ noemen sommigen het, anderen zullen het overdadig vinden. Kwestie van smaak? Het stuwt en ronkt in ieder geval. Maar wat heeft hij verder op zijn palet?

De aantrekkingskracht van Wigmans gedichten lijkt gelegen in een aantal standaardingrediënten. De basis (in willekeurige volgorde): wie, wat, waar, wanneer? ‘Oktober. Veertig en geen bed werkt over.’ is al bijna een gedicht op zich. ‘Berlijn. Ik had geneukt en nam een douche.’ Idem. Anekdotisch, maar ongewoon direct verdicht. Ook een dominante plaatsbepaling in ‘Egmond aan Zee’: ‘Het is een volk van stugge gutturalen./ Het gromt en godverdomt zich door de dagen.’ We zijn erbij. Voeg daar aan toe de gedoseerde maar effectieve inzet van expressieve, citeerbare regels. Met ‘Ik wil geen weemoed die niks kost’ is veel gezegd. Ook hors catégorie: ‘De mooiste idioot die ik ooit zag/ lag op zijn rug een heel heelal te zijn.’ Grote woorden, nog grotere gedachten.

Daarbij valt het in Mijn naam is Legioen pas op hoe vaak de dichter zich bedient van wat we inmiddels wel ‘de wigmaniaanse drieslag’ mogen noemen: een ritmische en klinkende opsomming van meestal drie, soms vier woorden van wisselend soortelijk gewicht. Denk aan moeder-aller-drieslagen ‘nachtcrème, bankpas, tijdsgewricht’ uit ‘Bij de gemeentekist van mevrouw P.’ uit Dit is mijn dag. In ‘Tot mijn pik’ (hierboven): ‘Geen hoop, geen zin, geen bedvriendin’, en, in verkapte variant, ‘van glas, gewapend glas en Seroxat’ (antidepressivum, JvdB). Een willekeurige bloemlezing uit Mijn naam is Legioen (zo krijgt u bovendien een idee van de inhoud): ‘Nacht. Krant. Lamp’, ‘Eerzucht. Begeerte. Alles doorgebrand’, ‘aan drank, aan drugs, aan de millenniumnacht’, ‘Er is het recht/  op geld, op seks, op zwachtels voor de hersenstam’, ‘avondbussen, discoriemen, kettinghonden’, ‘leuzen, tags, urinevlaggen’, ‘speakers dansvloer kermisweek’, ‘Was het het licht? Haar huid? Dat spookgezicht?’, ‘Al zweet, hinkt, hijgt het niet zoals je denkt’, ‘Komt vrijdagnacht, komt bier, komt coke’, ‘nat, grijs, week’, ‘De hemel, het schaamdeel, het graf’, ‘Je boekt een vlucht, betreedt een stad, neemt kamers in’, ‘Niets weet je van wie hier je lakens schikt, je paspoort weegt, je hoofd uitruimt’, ‘voor jou (…) / bouwt men er tunnels, pubs en torens bij’, ‘elektrisch, kil, verhit’, ‘een hersenhond, onthand en underfucked’, ‘Stof, roet, stormvuur’, ‘kon ik nooit laks, te laat of schuldig zijn’, ‘bloemenstallen, warenhuizen en wapenarsenalen’, ‘momentum, millennium, Maria’, ‘sleutelbossen, wenteltrappen en agaven’, ‘spiegeldeuren zag ik, zonnewijzers, tatoeages’, ‘banken, taxi’s, bijbeldom’, ‘warm en trots en zacht’. Het is welhaast een ready made.

Een ander voorbeeld: Wigmans vindingrijkheid, bijvoorbeeld als het gaat om personificaties. In ‘Tot mijn pik’ de pik als metgezel en geen bed dat over werkt. Verderop ‘gaan slaafs de lichten aan’ en sloop de zomer ‘laag en overspelig’ weg. Of neem (het poëticale?) ‘Stramien’: ‘De waanzin zelf gaat goed gekleed./ Zijn werk vergt tact, precisie ook.// Dus kruist hij namen aan,/ kamt steden uit, tast schedels af.// Veegt hij zijn voeten, is het raak/ en stampt het in de nok.’ Bij Wigman komt alles tot leven en heeft alles een wil. Een gezicht kan ‘onbemand’ zijn, huisraad ‘jichtig’, koffie ‘verkookt’, vlees ‘bewegend’ en haatgedachten ‘ongekamd’. ‘Woordkunst’ zegt men dan terecht. (Toch, ik kan er niks aan doen, moet ik aan mooie woordenlijstjes denken.)

Grijpt Wigman terug op deze constructies, of dringen zij zich op? Dat eerste vermoed ik. De stratenmaker legt zijn stenen. Het procedé-Wigman is daardoor als een goede punkdrummer: retestrak, welbewust, maar, en dat gevoel overviel mij voor het eerst in deze bundel, wel wat voorspelbaar op den duur. De gedichten zijn, om de knuppel maar in het hoenderhok te gooien, soms te glad gevijld. In die discrepantie wekt Mijn naam is Legioen bevreemding: hoe kan een hoekige wereld zo gladgestreken worden in taal? ‘Geen van de woorden die ik kies, kun je vervangen door betere, klinkender, adequatere woorden,’ vertelde Wigman in het interview in de Volkskrant. Ondankbare honden zijn poëzielezers toch: loopt alles eindelijk een keer lekker, hopen ze op een stok tussen de spaken, zand in de machine, een haperend mechaniek. ‘Soms voel je bijna dat je leeft’, dicht Wigman. Soms wil je een gedicht lezen waarvan je twijfelt of het van Wigman is, als een knijpje in je wang.

Ik heb het idee dat het gevoel af en toe naar een herhaling te kijken gevoed wordt door een totale afwezigheid van ambiguïteit, anders dan in Wigmans vorige volwaardige bundel Dit is mijn dag (2004). Daar stonden minder eenduidige en ook lichtere gedichten in, waardoor de mokerslagen (zoals ‘Levensloop’) harder aankwamen. Nu ben je na twintig gedichten wel murw gebeukt door de vakkundig gestileerde laatmoderne ellende van een man halverwege zijn leven. Beleden moedeloosheid bovendien: ‘Waarom heb ik toch medelijden?’ De ironie wil dan weer dat de werkelijke ‘ellende’ is dat het goed dreigt af te lopen. Een nieuwe liefde: ‘mooi, zo mooi, ik krijg het niet gezegd’. Het is Wigman van harte gegund, wat licht in zijn leven, en de lezer kan rustig slapengaan. Maar de slotafdeling doet de bundel als geheel geen goed.

De tragiek van sterspelers is dat ze naar hun eigen maat worden gemeten. Leuk, die driedubbele schaar. Maar dat deed-ie vorige week ook al. En toen scoorde-ie twee keer. Volgens de Franse denker Alexis de Tocqueville barste de Franse Revolutie niet uit omdat het Ancien Régime er zo’n potje van had gemaakt. Het probleem was juist dat het best aardig ging waardoor de verwachtingen onder de bevolking sneller groeiden dan Lodewijk XVI ze kon inlossen. Menno Wigman, die noodgedwongen zeven jaar wachtte en verwachtingen wekte met deze bundel, heeft er weinig aan, aan deze genoegdoening voor zijn ondankbare lot. Toch werkt het zo. Niemand zei ooit dat het leuk en eerlijk was.

Jurre van den Berg

Menno Wigman – Mijn naam is Legioen. Prometheus, Amsterdam. 72 p. €14,95

0

Reacties