Louter leugens

‘Vriendschap verenigt ons’, lees ik boven de deur als ik naar buiten loop. Bullshit, denk ik. De twee pijlers van onze vereniging zijn drinken en neuken. Liegen en bedriegen. Dat verenigt ons.

Als Philip Hofman in Amsterdam gaat studeren, komt hij tussen de corpsballen terecht. Studentenvereniging en corpsballenhuis vormen het decor van wat je verwacht bij een corpsballenleven.

In eerste instantie lijkt Niemand in de stad van Philip Huff (die gisteren de Dioraphte Jongerenliteratuur Prijs won met dit boek) de zoveelste roman te zijn waarin dat milieu van branie en ballerigheid beschreven wordt, maar naarmate je verder leest in de roman zie je dat bijna alle levens staan in het teken van een naderende mislukking. De studententijd, de tijd voordat het echte leven begint, is nog de overgang waarin de maskerade nog aanwezig is. Maar Hofman komt er op de vader-zonendag in het studentenhuis of als hij als chauffeur een ex-corpslid moet halen en brengen wel achter dat er bij de oudere generatie wel een heimwee bestaat naar hun studententijd, maar dat die voornamelijk gebaseerd is op het ontbreken van het nemen van verantwoordelijkheid.

Ook Hofman komt er steeds meer achter dat hij in een wereld terecht is gekomen waarin de leugen regeert. Tegen zijn vriendin die in Groningse studeert, vertelt hij niet dat hij in Amsterdam met een ander meisje het bed deelt. Tegenover elkaar zijn de studenten niet oprecht. De bijbaan die Hofman neemt in het casino bestaat uit het bedonderen van andere mensen. De leugens stapelen zich op en het lijkt of dat een lichamelijke weerslag heeft op de jonge student die last van zuurbranden krijgt.

De leugenachtigheid komt het sterkst naar voren bij de vriend Jacob. Eerst huisgenoot en iemand die Philip wegwijs maakte in de studentenwereld en de literatuur, later iemand die elders woont en zo’n web van leugens spint rond zijn leven: tegenover zijn vrienden, tegenover zijn ouders, tegenover de wereld, dat hij de ultieme consequentie trekt.

‘Denk jij,’ vroeg ik, ‘dat wij wat hadden kunnen doen?’

Voor de lezer komt die vraag van Hofman als een retorische vraag, want er zijn momenten geweest waarop hij het gesprek met zijn vriend had kunnen aangaan, omdat hij eerder dan een ander zag en wist wat er aan de hand was. Hij doet niets. Als zijn Amsterdamse vriendin per ongeluk zwanger blijkt te zijn, durft hij ook niet zijn verantwoordelijkheid te nemen. Pas helemaal op het eind lijkt het of Hofman verandert. Dan is het al te laat voor zijn vriend Jacob. Die vond tijdens zijn studentenleven zijn uitweg in de muziek en in boeken. Nescio, Titaantjes natuurlijk.

Als Hofman aan zijn Groningse vriendin de hele affaire opbiecht, kan hij dat alleen maar doen in clichétaal: ‘Ik ben jou niet waard. Nooit geweest ook.’ Je weet dat er nieuwe leugens in de maak zijn, want zij is niet zijn echte, grote liefde. Het is huisgenoot Matt die uiteindelijk verwoordt waar het om gaat:

‘Natuurlijk: mensen liegen, en ze bedriegen. Maar om zichzelf te kunnen zijn. Uit noodzaak.’ Hij schudde het hoofd en zette de muziek aan. ‘Maar het is niet goed als één ik op termijn twee iemanden wordt en slechts één van hen gekend wordt. Wie ben je dan? Ik, of die andere ik? En die andere ik, die kun je nooit altijd zijn.’

En zo wordt een roman die speelt in een wereld vol leugens toch nog een pleidooi voor oprechtheid.

Coen Peppelenbos

Philip Huff – Niemand in de stad. De Bezige Bij, Amsterdam. 352 blz.

11