Een canon met een wijwaterkwast

Wat hebben Carry van Bruggen, Jacob Israël de Haan, M. Székely-Lulofs, J. Slauerhoff, Maarten ’t Hart, K. Schippers, Ronald Giphart, Gerrit Komrij, Rutger Kopland, Rascha Peper, L.H. Wiener, Joost Zwagerman en Gerbrand Bakker gemeen? Geen enkel boek dat ze hebben geschreven werd goed genoeg gevonden voor De leeslijst die is samengesteld door Nina Geerdink, Jos Joosten, Johan Oosterman, alledrie werkzaam aan de Radbaud Universiteit in Nijmegen evenals veel andere medewerkers aan het boek. Aan de hand van 222 werken (zie de hele lijst hier) wordt de Nederlandstalige letterkunde beschreven in chronologische volgorde. Ieder werk krijgt twee bladzijden toebedeeld.

Op plaats 222 staat De leeslijst en de makers dekken zich al in tegen de mogelijke kritiek door te zeggen dat ‘dat de leeslijst als canon – of: ‘de’ canon, of: de ‘canon’ – niet vaststaat, maar dynamisch is, bepaald is door subject, door actoren in het veld, door instituties, door ongeïntendeerde intenties, door contemporaine omstandigheden en dito poëticale opvattingen, en vooral: dat redacteuren en auteurs van De leeslijst ook niet voor altijd hebben vastgelegd hoe het zit.’ Gelukkig maar, want op de keuze is nogal wat aan te merken (al is dat tegelijkertijd ook de charme, een canon waar iedereen het mee eens is, is een dode canon).

Bij de Middeleeuwse letterkunde tot en met de negentiende-eeuwse is het boek over het algemeen met een aanstekelijk enthousiasme geschreven, die uitnodigt tot lezen en herlezen van de besproken werken. Het eerste stuk begin enigszins recalcitrant niet met ‘Hebban olla uogala nestas hagunnan

hinase hic enda thu’, maar met de Wachtendonkse psalmen van rond 900 al is dat alleen in fragmenten overgeleverd. Maar het zinnetje van de kopiist uit de twaalde eeuw had net zo goed een aardige beginzin kunnen vormen van onze literatuur, schrijft de prettig formulerende Oosterman: ‘Tesi samanunga was edele unde scona / Et omnium virtutum pleniter plena’ (‘Deze gemeenschap is edel en aangenaam, en vol van deugden’). Daarmee wordt al vanaf het eerste hoofdstuk het idee dat er een canon zou bestaan ondermijnd.

Gijsbrecht

Gijsbrecht van Aemstel in Stadsschouwburg in Amsterdam (1981). Sigrid Koetse als Badeloch en Johan Schmitz als Gijsbrecht.

Toch volgen daarna veel werken die de meesten kennen van de literatuurgeschiedenislessen op school: Ferguut, Mariken van Nieumeghen, Lanseloet van Denemerken (de andere abele spelen ontbreken helaas in deze canon) en van Joost van den Vondel Gysbreght van Aemstel. In de zeventiende en achttiende eeuw komen, dankzij recente wetenschappelijke aandacht voor hun bestaan, ook onbekendere schrijfsters voor zoals Titia Brongersma, die uit Groningen kwam, maar ook in het Fries verzen schreef ein Drenthe hunebedden bestudeerde. Natuurlijk vraag je je af waarom Vondel en Hooft twee keer aan bod komen, terwijl de beroemde reisbeschrijving van Gerrit de Veer over de overwintering op Nova Zembla wordt overgeslagen. Aan het begin van de negentiende eeuw mis ik ook Jacob Haafner, wiens Reize in eenen Palanquin dankzij de bewerking van Thomas Rosenboom (onder de nogal commerciële titel Exotische liefde) een breed publiek bereikte.

Maar dat is allemaal gemopper in de marge. Wie de duizenden pagina’s van de delen Geschiedenis van de Nederlandse literatuur heeft overgelaten aan de specialisten, kan in De leeslijst genoeg boeken ontdekken die de lust tot lezen aanwakkeren. Zo ben ik wel benieuwd geworden naar Reisontmoetingen van Joachim Polsbroekerwoud en zijne vrienden van Vlerk uit 1841 over een stel vrienden die door Duitsland reizen, al missen ze ook wel eens iets: ‘Het schoone gedeelte van Ohlsbach tot Donauëschingen werd door de meeste onzer vrienden slapende doorreisd.’

De leeslijst ontspoort wat in de twintigste eeuw waarin je merkt dat de wijwaterkwast van de voormalige Katholieke Universiteit uit Nijmegen duchtig wordt uitgeslagen over de lezer. Niet alleen oud-hoogleraren Anton van Duinkerken en Kees Fens en oud medewerker Frans Kusters krijgen een plaats, maar ook katholieke schrijvers als Frans Erens, Henri Bruning en oud-student Godfried Bomans eisen hun twee bladzijden op. Hoe dichter je naar het heden komt, hoe curieuzer de keuzes worden. Van Harry Mulisch alleen zijn Boekenweekgeschenk Het theater, de brief en de waarheid? De keuzes voor de werken lijken dan eerder ingestoken door de ietwat modieuze literatuurwetenschappelijke aandacht voor het ‘literaire veld’, dan voor het te bespreken werk, al moet een uitzondering gemaakt worden voor Jos Muijres die een groot aantal Vlaamse klassiekers bespreekt maar steeds het werk zelf centraal stelt.

Harry Mulisch 1987 Rob Croes Anefo

Boekenbal in Amsterdam in 1987; Harry Mulisch bij boekenbalversiering.

Mustafa Stitou en Mustafa Kör (van wie ik eerlijk gezegd nog nooit gehoord had, maar dat geldt wel voor meer namen op de lijst) zijn, als ik het goed gelezen heb, de enige schrijvers waaraan je kunt zien dat de wereld uit meer dan blanke mannen bestaat. Gelukkig hebben we ook nog ‘de Surinaams-Nederlandse psycholoog Hans Faverey’, maar Frank Martinus Arion, Tip Marugg, Astrid Roemer of Hafid Bouazza, Abdelkader Benali, Kader Abdolah, en noem het hele rijtje maar op, komen niet op De leeslijst voor al wordt een enkeling wel één keer genoemd. Dat is toch wel een omissie. Misschien moeten we bij een volgende editie even doortellen tot 250.

Echte verhalenvertellers komen er bekaaid af in de laatste decennia die De leeslijst omvat. Je kunt vooral lezen welke voorliefdes Jos Joosten had die een enorme hoeveelheid werken voor zijn rekening nam en daarvoor geprezen dient te worden. Als een running gag verwijst hij daarbij continu naar zijn eigen artikelen. Postmoderne dichters en experimenterende schrijvers krijgen de voorrang boven verhalenvertellers en traditionele dichters. En af en toe gebruikt Joosten de ruimte om nog een sneer uit te delen, zoals bij de Clausewitz van Joost de Vries, waarin hij vooral ingaat op de ontvangst van de roman. Etty schreef een lovende recensie, maar zij moet het toch, zoals in eerdere boeken van Joosten, ontgelden, want ‘Etty had weinig oog voor de gelaagdheid en tegenstrijdigheden in de roman’.

In de twee bladzijden die gewijd zijn aan Het Achterhuis gaat Joosten in op de totstandkoming van het boek en het internationale succes en vergelijkt hij de literatuurgeschiedenis van Hugo Brems met de Duitse Niederländische Literaturgeschichte, onder redactie van Ralf Grüttemeier en Maria Leuker. Joosten lijkt een voorkeur te hebben voor de laatste, want:

Inhoudelijk zegt Brems nergens iets over het dagboek. Binnen de veel bescheidener ruimte die Grüttemeier ter beschikking stond, presenteert hij een zeer informatieve tekst met, in het licht van Brems’ observatie, misschien wel als opmerkelijkste waarneming dat Das Tagebuch der Anne Frank in de tijd dat het in Nederland steeds meer gezien werd als historisch document ‘bereits einer der Schlüsseltexte der Auslandniederlandistik [war]. Dabei gerieten zunehmend auch die literarischen Qualitäten des Tagebuchs ins Blickfeld […]’ Hoog tijd voor een literair-wetenschappelijke rehabilitatie van Het Achterhuis?

Ironisch genoeg staat in het stuk van Joosten ook niets inhoudelijks over het boek van Anne Frank.

Erger is de manier waarop Joosten docent Kees van der Pol wegzet als een nitwit omdat hij op scholieren.com een roman van Saskia de Coster niet begrijpt. De twee bladzijden die aan Eeuwige roem van De Coster gewijd zijn gaan voornamelijk over Van der Pols bespreking, die op die site een titanenwerk verricht met zijn uiterst leesbare en gedegen analyses. Joosten snapt het boek natuurlijk wel, al is zijn samenvatting behoorlijk nietszeggend. ‘De Coster schrijft ongangbaar, maar op een betoverende, transparante manier in een stijl die deels sprookjesachtig en surrealistisch is, deels licht ironisch en in al zijn thematische serieusheid niet zwaar.’

Nummer 221 is gewijd aan Gerjon Gijsbers, oud-student van de Radboud universiteit, die een boekje uitbracht bij Wintertuin, ook uit Nijmegen. Het stukje gaat meer over de manier van uitgeven dan over de inhoud. Zo verwordt een mooi initiatief op het laatst tot gerommel in de marge.

Coen Peppelenbos

Nina Geerdink, Jos Joosten, Johan Oosterman (red.) – De leeslijst. Vantilt, Nijmegen. 480 blz. € 24,95.

Een kortere versie van deze recensie verscheen in de Leeuwarder Courant en het Dagblad van het Noorden op 21 augustus 2015.

(Foto Gijsbrecht: Rob C. Croes / Anefo, via Nationaal Archief, CC BY-SA 3.0 NL

Foto Harry Mulisch: Rob C. Croes / Anefo, via Nationaal Archief, CC BY-SA 3.0 NL)

0

Reacties