Op avontuur met Ferdinand Huyck

De complete Nederlandse literatuur van voor 1880 bestaat uit slechts één roman van Multatuli. Dat moet wel de conclusie zijn na een bezoek aan een doorsnee boekwinkel. Daar zijn wél hoge stapels vertalingen te vinden van schrijvers uit de achttiende en negentiende eeuw als Jane Austen, Chloderos de Laclos, Goethe, Stendhal en Flaubert, maar van Nederlandse auteurs uit dezelfde tijd géén spoor. Nou ja, behalve dan Max Havelaar natuurlijk en een ingekorte Majoor Frans. De hoofdpersoon uit deze roman (1874) van Bosboom-Toussaint wordt door de uitgever weliswaar aangeprezen als een van ‘de leukere personages’ uit de Nederlandse literatuurgeschiedenis, maar kennelijk was de originele tekst niet leuk genoeg. Een redacteur moest Majoor Frans ‘moderniseren’ om er weer een ‘vlot leesbare roman’ van te maken. Dergelijke aanprijzingen zijn in Engeland of Frankrijk ondenkbaar, daar worden Austen en Flaubert steeds woord voor woord naar het origineel herdrukt. In Nederland worden auteurs van eigen bodem als hopeloos verouderd beschouwd en zijn daarom door iedereen opgegeven. Soms verschijnt nog wel eens een oud werk in een zwaar-gesubsidieerde wetenschappelijke reeks, maar deze uitgaven worden na verloop van tijd steevast verramsjt – behalve een enkele bibliotheek koopt niemand ze. De nieuwe uitgever van Majoor Frans is daarmee in zekere zin een held, dat hij – ook al is het halfhartig – tegen deze trend in gaat.

Wie desondanks, als voorbereiding op de binnenkort te verschijnen biografie van Jacob van Lennep, aan een boek van deze schrijver begint, voelt zich dan ook als een woestijnreiziger met maar één klemmende vraag: hoe overleven we dit avontuur?!

Het betreffende boek, De lotgevallen van Ferdinand Huyck, verscheen in 1840. Het was de derde grote roman van Jacob van Lennep (1802-1868), na De pleegzoon (1833) en De roos van Dekama (1836). De eerste druk bestond uit twee delen, met op het titelblad een gravure waarop een scene uit het boek wordt uitgebeeld. Latere edities zouden meer illustraties bevatten, van kunstenaars als Charles Rochussen, David Bles en Jo Spier. De roman is naderhand meerdere keren ‘herzien voor deze tijd’ – wat zoveel betekent als het aanpassen van de spelling en het inkorten van de tekst. Dat die behoefte ontstond is opvallend, want Ferdinand Huyck is niet een heel omvangrijk boek en zeker ook niet langdradig, het bevat juist veel actie. Wel moet je even wennen aan de stijl van bijna tweehonderd jaar geleden (dit geldt trouwens net zo goed voor Dickens of Goethe) maar dan lees je gemakkelijk verder.

Het was een heerlijke morgen; ja zelfs, voor een voetganger al te fraai weer. Er was weinig of geen wind: de lucht begon, naarmate het verder op den dag werd, meer heet en drukkend te worden, en was met die soort van spakerige nevelachtigheid bezwaard, welke niet zelden het voorteeken is van een verandering in den dampkring. Ten noordwesten stapelden zich dikke wolken op elkander, en eenige zeevogels, die krijschende rondzwierden, schenen zoovele boden, uitgezonden om zwaar weer aan den landbewoner te verkondigen.

Dialogen zijn – net als bij Austen of Flaubert – soms wat formeel en stijfjes maar ook daaraan raak je snel gewend.

“Niet in het minste! Het spijt mij maar om uwent wil, zoo UEd. aan voorteekenen hecht; want nu ligt het gansche gebouw uwer hoop in duigen.”

Van Lennep hanteert in de dialogen trouwens vaak een luchtige, plagerige toon, waarmee hij een spreker goed kan typeren.

“Wel nu! wat wildet gij dan?,” vroeg Tante, met haar gewone levendigheid, en het gezegde van Susanna voor goede munt opnemende: “hadt gij liever gewild, dat hij terug ware gekomen als een vervreemde knaap, die zijn eigen taal verleerd was en met medelijden of verachting op zijn landgenooten en familie neerzag? Wij hebben, sedert de revocatie van het Edict, al genoeg Fransche poedeljassen in het land gekregen: en het is wel zaak, dat wy ten minste de vaderlandsche gewoonten blijven voorstaan.”

Het duurt eventjes voor het verhaal op gang komt want eerst moet uitgelegd worden dat de uitgever – in typisch negentiende-eeuwse stijl – het manuscript natuurlijk via allerlei omwegen heeft gekregen: het werd hem ooit geschonken door een oude dame (die het al veertig jaar had bewaard) als bewijs ‘dat elke daad, die wij verrichten, tot de minste onvoorzichtigheid toe, ons of onmiddellijk, of later, opbreekt, en dat elke levensgeschiedenis, mits naar waarheid geschreven, ons daarvan getuigenis geven zoude.’

Het verhaal is gesitueerd in de zomer van 1737 (of 1738) en begint als de jonge jurist Ferdinand Huyck terugkeert in Nederland, na twee jaar lang door Europa te hebben gereisd. Hij is de oudste zoon van de schout van Amsterdam en behoort daarmee tot de hogere kringen. De jonge Ferdinand is sympathiek en optimistisch, hij ondergaat alles wat hij meemaakt met een zekere verbazing. Dit klinkt door in de licht ironische toon waarop hij zijn lotgevallen vertelt. Hierdoor blijf je geboeid doorlezen.

Men vergeve mij deze uitweiding, welke sommigen misschien zal ergeren en aan allen waarschijnlijk ongepast en misplaatst zal voorkomen; maar het is een voorrecht van den ouderdom, bij ettelijke gelegenheden wat lang van stof te worden, en wat te beuzelen, ’t geen soms bazelen wordt.

In het eerste deel van de roman wordt de intrige door Van Lennep geraffineerd opgebouwd. Ferdinand ontmoet op weg naar huis een aantal intrigerende personen, die naderhand ook weer op zullen duiken. Zo is er de geheimzinnige man, die toevallig in het hetzelfde eethuis in Soest pauzeert als Ferdinand. Omdat ze elkaar bijstaan als een andere bezoeker agressief wordt, ontstaat er meteen een band. Van grote betekenis is de ontmoeting met de jonge Henriëtte, die hij aantreft in een prieel van het buiten Guldenhof, waar Ferdinand schuilt voor een enorme regenbui. Henriëtte is een beeldschoon meisje en – zo blijkt spoedig – een bekende van zijn zuster. Ferdinand raakt onmiddellijk verliefd. Helaas worden ze gestoord door vader en zoon Blaek en de dichter Helding. De status van de drie mannen beschrijft Van Lennep geestig aan de hand van de paraplu die ze bij zich hebben. Die van de oude heer Blaek is van ‘grof linnen’ en heeft een ‘ouderwetschen vorm’. Zijn modieuze zoon draagt een regenscherm van ‘rood taf met geelen rand, bloemen en gewerkte franje’, terwijl die van de arme dichter ‘bedekt is met lappen en zettenstukken’, zodat ‘de oorspronkelijke aart en kleur der stoffen niet langer te onderkennen was.’ Ferdinand voelt zich betrapt door de drie mannen en zijn aftocht is bepaald niet eervol.

Voordat Ferdinand in Amsterdam arriveert, wordt hij nog door struikrovers aangevallen (de bende van Zwarten Piet) en gered door de man die hij geholpen heeft in Soest. Deze man, die zich Bos noemt, is duidelijk op de vlucht voor justitie, maar de precieze reden hiervoor komt Ferdinand niet te weten. Bos heeft ook een dochter – Amelia – die met Ferdinand meereist naar Amsterdam.

Terug bij zijn familie durft Huyck niets over al deze ontmoetingen te vertellen, ook al is hij verder nogal een braverik. Zijn ongemak neemt toe als hij steeds verder verstrikt raakt in een web van bedrog en geheimzinnigheden – ook dit houdt hij voor zijn vader de schout verborgen. Daarbij maakt Van Lennep heel slim onderscheid tussen twee categorieën aan personages. In de eerste plaats zijn er figuren, die weliswaar iets op hun kerfstok lijken te hebben, maar waar Ferdinand toch sympathie voor voelt, zoals de heer Bos en zijn dochter. Daarnaast zijn er een paar echt sinistere types, zoals vader en zoon Blaek. Een centrale rol lijkt de kunstschilder Heynsz te gaan spelen. In zijn huis aan de Raamgracht is het een komen en gaan van schimmige mensen, die hij in opdracht van de schout in de gaten moet houden. Ook de dichter Helding huurt een kamer bij hem. Tussen de bedrijven door neemt Van Lennep de tijd om de familie van Huyck te beschrijven, zoals zijn zuster en twee tantes, waarvan er een hem aan een baan bij een handelshuis helpt. De mooie Henriëtte is soms ook van de partij, maar Huyck lijkt bij haar geen kans te maken. Van Lennep gebruikt een feest op de buitenplaats Heizicht om nog wat meer personages aan het verhaal toe te voegen, met name Kapitein Pulver, die een enorm avontuur op zee achter de rug heeft. Daarmee worden de raadsels in het boek alleen nog maar groter.

Wordt vervolgd.

Doeke Sijens

Jacob van Lennep – De lotgevallen van Ferdinand Huyck, 1840. Geen recente uitgave. Op DBNL.
Marita Mathijsen – Een bezielde schavuit, biografie van Jacob van Lennep, verschijnt op 18 januari 2018.

0