Spijs voor de vissen

In het tweede deel van De lotgevallen van Ferdinand Huyck wordt de actie flink opgevoerd. Daarbij zijn grofweg drie verhaallijnen te onderscheiden. De eerste betreft de liefde die Ferdinand opgevat heeft voor de mooie Henriëtte. Ondanks het feit dat ze arm is, wil Ferdinand met haar trouwen. Dit wordt echter door haar voogd Jacobus Blaek gedwarsboomd. De tweede verhaallijn betreft de geheimzinnige heer Bos en zijn dochter Amelia, die op de vlucht zijn voor justitie en waarvan we bij stukjes en beetjes het ware verhaal (en hun werkelijke namen) te weten komen. Psychologisch is de derde verhaallijn het meest interessant. Ferdinand is aan het begin van het boek een oppassende jongen, die er zelfs niet van droomt tegen de wil van zijn ouders in te gaan. Naarmate hij verder in een web van geheimen en intriges terecht komt, zie je hem veranderen. Hij wil nog steeds wel trouw zijn aan zijn ouders, maar ziet ook in dat hij hierdoor verraad zou plegen tegenover mensen die hem vertrouwen. Deze gewetensnood beschrijft Van Lennep heel genuanceerd.

De schrijver heeft de drie lijnen in het boek op voortreffelijke wijze met elkaar verbonden. Tegelijkertijd houdt hij het tempo goed in de gaten. De geschiedenis van een boottocht op de Zuiderzee – die onfortuinlijk eindigt – neemt vele hoofdstukken in beslag maar verveelt geen moment. Dit geldt ook voor een particuliere paardenrace in Amsterdam, gevolgd door een drankgelag en een vechtpartij. De voortdurende toevallige ontmoetingen tussen Ferdinand en de mooie Amelia Bos leiden tot veel misverstanden. Zelfs Henriëtte kan niet geloven dat Ferdinand niet een oogje op Amelia heeft.

Van Lennep voegt nog één figuur toe aan de groep figuren in het boek, Van Reynhove. Deze arrogante aristocraat komt uit Den Haag en Van Lennep karakteriseert hem geestig middels zijn woordgebruik.
‘Ik hoop […] dat de dames ons toilet zullen excuseeren. Wij konden ons op deze charmante rencontre niet verwachten. Ik ben waarlijk gedespereerd er zoo genegligeerd uitte zien.’
Op een zelfde humoristische manier typeert hij een arts, die in staccato-zinnen spreekt.

‘Hm!’, zeide Doedes, verwonderd rondziende: ‘groot gezelschap – veel vreemde gezichten – dienders met stokken! – hm!’
‘Hoe is het met de arme lijderes?’ vroeg ik, naar hem toegaande.
‘Hm! – zoo even afgeleid – omnes mortales sumus – affectio pulmonaris – mijn taak afgeloopen – naar huis gaan – rekening schrijven – hm!’

De licht ironische toon uit het eerste deel wordt doorgezet.

‘Dat zijt gij gelukkig ontkomen,’ zeide de Heer van Baalen, toen hy my den volgende morgen op het kantoor begroette: ‘gij hadt waarlijk tot spijs voor de visschen kunnen verstrekken: — belieft het u, dezen brief intezien, die gisteren met de Hamburger post is aangekomen?’

Hoewel latere uitgevers de behoefte voelden de tekst van de roman in te korten, valt het op dat Van Lennep uiterst economisch schrijft.

De kantoorbediende van den Notaris, die my de deur opendeed, liet my, nadat ik myn naam en betrekking genoemd, en hem verklaard had, dat ik zijn Patroon persoonlijk spreken moest, een zijvertrek binnen, hetwelk tot spreekkamertjen diende, en waar hy my verzocht mijne beurt af te wachten.

De ontknoping van het verhaal vindt plaats op Terschelling. Ferdinand reist af naar het eiland omdat een schip van zijn handelshuis na een storm hier terecht is gekomen. De heer Bos en Amelia hopen vanaf het eiland naar het buitenland te kunnen vertrekken. Alle andere figuren (met uitzondering van Henriëtte, zij blijft in Amsterdam) hebben eveneens een goede reden om op Terschelling te verkeren. Ook nu stapelt het ene incident zich nog steeds op het andere, maar uiteindelijk wordt alles duidelijk. Bij deze apotheose worden er mensen vermoord, pleegt er iemand zelfmoord en komen anderen tot inkeer. Ferdinand zelf ondergaat zoiets als een loutering (hij wordt van moord beschuldigd en zelfs gevangen gezet), voor hij terug kan keren naar Amsterdam. Bij het afwikkelen van de kluwen valt het op dat Van Lennep niet gehaast te werk gaat en ook zijn gevoel voor detail niet verliest.

De lotgevallen van Ferdinand Huyck is door zijn vakmanschap een nog steeds zeer leesbare roman, waarin dan weer geestig, dan weer ernstig wordt beschreven hoe de jeugdige held volwassen wordt. Hoewel hogelijk romantisch, wordt het verhaal nergens sentimenteel. Goed en kwaad worden zodanig genuanceerd, dat het boek ook geen traktaat is. Moderne lezers kunnen het gerust ter hand nemen.

Doeke Sijens

Jacob van Lennep – De lotgevallen van Ferdinand Huyck, 1840. Geen recente uitgave. Op DBNL.
Marita Mathijsen – Een bezielde schavuit, biografie van Jacob van Lennep, verschijnt op 18 januari 2018.

0