Broederliefde

De broers Edmund en Sieger van Zeeland, hoofdrolspelers in Joost de Vries’ roman Oude meesters, lijken nogal op elkaar. Niet dat ze dat zelf zullen toegeven; zo noemt Edmund hun broederschap ‘een slechte aansluiting op het vliegveld’. Die gesuggereerde afstandelijkheid komt hem niet slecht uit, want na een jeugd waarin de oudere Sieger elke enigszins belangwekkende ervaring van Edmund van het unieke karakter ontdeed door dat alles al eerder te hebben meegemaakt, wil Edmund zichzelf nu graag zien als onafhankelijk individu: ‘Nu was hij toch zeker uniek in zijn ervaringen, uniek in zijn weelde. Siegers leven had niets meer te maken met dat van hem, en dat van hem met dat van niemand anders.’ Ook Sieger bewaart liever de afstand, en als hij te horen krijgt dat Edmund bij zijn krant stukjes komt schrijven, zit hij binnen de kortste keren in het vliegtuig naar Berlijn.

Toch hanteren de beide broers soortgelijke middelen om zich een plek in de wereld te verschaffen. Na schatrijk te zijn geworden met de beursgang van een app waarbij hij min of meer per toeval betrokken is geraakt, reist Edmund de wereld rond en spreidt zijn geschiedkundige feitenkennis tentoon. Niet dat het hem met zijn hang naar het verleden om kennis te doen is, ‘want kennis was toch zeker de springplank naar zoiets als Wijsheid, en het was niet zo dat dat het doel was.’ Nee, waar het hem om te doen is, is om zich in het verleden te wanen, erin te wonen. Door zich in deze illusie te wentelen hoeft Edmund zich niet aan het heden te binden en kan hij zich voelen als een grote meneer uit de negentiende eeuw:

Toen was de wereld nog zoveel magischer, zo minder verkend, zo minder platgetreden, toen was het nog mogelijk als man eropuit te trekken en een rivier te temmen, de bron van de Nijl te ontdekken, op een verloren tempel in de jungle te stuiten, een eilandengroep te annexeren en naar jezelf te vernoemen.

Ook Sieger gaat het heden liever uit de weg door er een verhaal van te maken waarin hij zelf de hoofdrol kan spelen. Wanneer hij op de redactie van de krant waar hij werkt hoort van het overlijden van zijn collega Willem Verdelius, een markante journalist van de oude stempel, laat hij geen traan. In plaats daarvan schrijft hij in zijn hoofd reeds een script geïnspireerd op de juristen die in Tolstojs De dood van Ivan Iljitsj op het overlijden van een collega reageren door zich op hun nieuwe carrièreperspectieven te bezinnen:

Ergens hoopte hij dat hij iemand richting Verdelius’ gewilde privékantoortje zou zien kijken met iets wat op begeerte leek, maar dit was het echte leven en mensen waren geen personages. Het kantoortje bleef onopgemerkt.

Dat Sieger dit kantoortje, welke Verdelius oorspronkelijk was toegekomen als het ‘relict uit betere tijden’ dat hij was, zich als vanzelfsprekend toe-eigent, is dan ook veelzeggend.

Natuurlijk, zodra je als lezer doorhebt hoe Edmund en Sieger in het leven staan, weet je ook dat ze vroeg of laat het heden niet langer uit de weg kunnen gaan. Zoals Edmund immers opmerkt, draait elke roman ‘er altijd om dat er een leugen is, een verkeerde assumptie, een raadsel, iemand heeft iets verkeerd begrepen of verkeerd geïnterpreteerd, en dan na 75.000 woorden komt de held erachter dat de vork heel anders in de steel zat.’ Wanneer Edmund de vrouw van zijn broer, Sarie, beter leert kennen, begint hij een zekere verbondenheid met haar te voelen en lijkt – voorzichtig – uit zijn comfortabele illusie te treden. Sieger op zijn beurt wordt op zijn zoektocht naar een geheime kant van Verdelius, die hem dan reeds naar Berlijn en Rusland heeft gebracht, in Oekraïne hardhandig geconfronteerd met het feit dat de wereld niet buigt naar je zelfbeeld, zelfs niet als je een hoogopgeleide, Nederlandse blanke man bent. En ja, natuurlijk komen de verhaallijnen van de broers uiteindelijk weer samen.

Toch zou je het boek tekortdoen door het te presenteren als een zo rechtlijnig verhaal dat volgens de opmerking van Edmund in elke roman te vinden is. De Vries is een te zelfbewuste auteur om die woorden in de mond van zijn personage te leggen zonder daar zelf een draai aan te geven, en het geheel valt dan ook heel wat meer ambigu uit. Zo komt het moment van bezinning voor Edmund, waarbij hij beseft dat het heden veel meer toewijding vergt dan het verleden, uitgerekend wanneer hij in bijpassend kostuum op het dek van een vijftiende-eeuws schip staat voor de opname van een aflevering van een populaire televisieserie. Wanneer Sieger hardhandig wordt geconfronteerd – goed, hij wordt in elkaar geslagen – ziet hij in dat hij alleen oog voor zichzelf heeft gehad en anderen daarbij vergat, om na afloop zijn avontuur flink aantrekkelijker te presenteren in een journalistiek verhaal dat hem het hoofdredacteurschap van zijn krant oplevert. Daarbij weigert hij Padma, de jonge vrouw die hij bij zijn zoektocht heeft betrokken en die als enige weet heeft van zijn leugens, tot adjunct te benoemen.

Bovendien zijn Sieger en Edmund geen eendimensionale figuren die slechts voor een idee staan. Nee, De Vries weet ze als levende figuren neer te zetten: hun vlucht voor het nu is een neiging, een karaktertrek, maar dat maakt ze allesbehalve wereldvreemd. Met opmerkingen, citaten en zijdelingse grapjes geven ze er blijk van dat ze heel goed weten wat er in de wereld speelt. Dat dit alles overtuigend overkomt, is grotendeels te danken aan De Vries’ stijl. De dialogen zijn intelligent, scherpzinnig, verlopen vlot en zijn af en toe bijzonder geestig; de gedachten van de personages worden weergeven in eenzelfde licht maar intelligent proza. Dat de broers veel citeren kan een valkuil zijn: bij veel schrijvers komt dit geforceerd over, als een bewijs van belezenheid waar hun eigen stem al te sterk in doorklinkt. De Vries weet daarentegen deze citeerdrang onderdeel te maken van zijn personages: dit is nou eenmaal hoe ze praten. Daarbij helpt het dat ze niet alleen de grote namen uit de literatuur citeren, maar net zo gemakkelijk populaire cultuur zoals Gladiator of André Hazes aanhalen.

Ook in zijn eerdere werken liet Joost de Vries al ‘hoge’ en ‘lage’ cultuur samengaan, en bleek hij zijn personages erudiet te kunnen laten overkomen met een stem die tegelijkertijd bijzonder van nu is, bijdetijds, bijna hip. Dit maakt zijn werk intelligent zonder zwaar te worden; geleerd zonder te verzuipen in de eigen ideeën. Hier resulteert dat in een zowel mooie als geestige vertelling over twee dertigers die worstelen met hoe ze zich tot de wereld en hun naasten moeten verhouden – wat klinkt als een uitgekauwd thema, maar nergens zo aanvoelt. Jammer is alleen dat De Vries afsluit met een epiloog waarin hij te gehaast het verdere levensverhaal van de broers wil schetsen, alsof dat wat reeds in de roman te vinden was nog eens moest worden onderstreept. Nee, geslaagder is de passage even daarvoor, waarin De Vries met voelbaar plezier de oud-koningin ten tonele voert en haar, als lid van het Nederlandse Koninklijk Huis zelf een soort overblijfsel van de negentiende eeuw, naar de broers Van Zeeland laat kijken en laat denken dat, wanneer zij haar zoons waren geweest in plaats van de ‘halve homo’s’ die daadwerkelijk haar zoons zijn en die ’het eigen nest nooit echt hadden verlaten’, ze hen weliswaar nauwelijks zou hebben gezien – ‘maar mijn god, wat zou ze trots op hen zijn geweest.’

Remco Nieberg

Joost de Vries – Oude meesters. Prometheus, Amsterdam. 302 blz. € 19,99.