Boren naar zout

Barones Agnes Christina Helmstadt van Uitganck wordt onmiddellijk ziek als ze beseft dat het water waar haar thee mee gezet is uit de beek komt waarin de meubelmaker zijn loog kiepert, waarin het zeepsop van de wasplaats drijft en waarin hun eigen beertonnen geleegd worden. Haar man, baron Jacob Unico Wilhelm van Rüdersdorf Helmstadt, laat direct putten graven rondom het landhuis en in het nabij liggende dorpje Lende op zoek naar helder water. Het enige wat zijn trouwe bediende vindt, is brak water, want de hele bodem is vergeven van het zout.

Marc Reugebrink zet in Zout een vertelling op die doet denken aan de romans van Thomas Rosenboom. Een hoofdpersoon streeft iets na, in dit geval het vinden van schoon water, en gaat daarbij tot het uiterste, terwijl je als lezer bij voorbaat weet dat de vertelling noodlottig zal aflopen. Als je dat al niet dacht bij de bestelling van een enorme boortoren die hoger wordt dan de kerk, dan weet je het wel zeker door de continu in het dorp rondsluipende roedel gevaarlijke, zwarte honden.

De setting van het verhaal is wat onduidelijk, evenals de tijd waarin het zich afspeelt: ergens aan de Duitse grens, ergens in een tijd waarin de mensen nog met paarden en koetsen rondreden. Zout is een groteske. De personages zijn uitvergrote clichés: de megalomane baron en zijn serviele knecht, de barones die aan de drank raakt en dronken, naakt en ongewassen door het huis loopt, de stugge kroegbaas, de schoolmeester ‘met zijn wandelstok en botaniseertrommel’, de dominee die ‘snauwt en grauwt’ in de kerk, de weinig spraakzame dorpelingen die voor een paar centen wel diensten willen verrichten. Bij Rosenboom zit je steeds met het zweet in de handen omdat je je kunt inleven in de hoofdpersonen, bij Reugebrink laat die stoet aan typetjes je volstrekt koud.

Zout lijkt een fremdkörper in het oeuvre van Reugebrink te zijn. Het leest vlot weg, maar je vraagt je continu af waarom hij het belangrijk vond om ons dit allemaal te vertellen. Was het een vingeroefening om eens een komische historische roman te schrijven? En waarom die gekke tijdsprongen in het verhaal? Soms ben je bij het ene personage verder in de tijd dan bij de andere. De enige functie daarvan lijkt te zijn dat Reugebrink ons wil laten zien dat hij dat technisch kan. Voor de rest heeft het, net als de barones, niets om het lijf.

Coen Peppelenbos

Marc Reugebrink – Zout. Querido, Amsterdam. 150 blz. € 18,99.

Deze recensie stond eerder in een iets kortere vorm in de Leeuwarder Courant en het Dagblad van het Noorden op 1 februari 2019.

0

Reacties