En aan het eind wint de wereld

Een man die slaapt gaat, strikt genomen, niet over een man die slaapt. Allereerst valt het moeilijk uit te maken of de hoofdpersoon wel een man is: doordat het hele boek in de tweede persoon enkelvoud is geschreven, wordt de lezer uitgenodigd, verleid zelfs om zich te vereenzelvigen met de hoofdpersoon. Natuurlijk is het vrij gebruikelijk voor verhalen om de lezer uit te nodigen zich te identificeren met een of meerdere personages – volgens sommigen is het meest waardevolle aan literatuur de kracht onze empathische vermogens te versterken – waarbij nu juist de verschillen tussen personage en lezer, zoals geslacht, worden overwonnen zonder te worden opgeheven. Hier echter gaat het verder dan het je inleven in het personage – het lezen van dit boek betekent de beschreven ervaring ervaren: de lezer wordt degene die slaapt. Dat er richting het einde geschreven staat dat ‘je lid een stoombad [is]’ hoeft dan nog niet de meeste bevreemding te wekken, al durf ik niet voor allen te spreken. Ten tweede, en belangrijker: de hoofdpersoon – voor het gemak houden we aan deze term vast – is niet zozeer slapende, als wel in een toestand van half waken, half slapen. Het is een toestand die bijna terloops ontstaat:

Later komt de dag van je examen en je staat niet op. Dat is geen weloverwogen handeling, het is trouwens geen handeling maar het ontbreken van een handeling, een handeling die je niet verricht, handelingen die je nalaat. Je bent vroeg naar bed gegaan, je hebt vredig geslapen, je had je wekker gezet, je hebt hem horen aflopen, je hebt minstens een paar minuten liggen wachten tot hij afliep, je was al wakker geworden van de hitte of van het licht, of van het lawaai van de melkmannen, de vuilnismannen, of van het wachten.
Je wekker loopt af, je verroert geen vin, je blijft in bed, je doet je ogen weer dicht.

Toch komt er een soort verklaring of, beter, duiding van de situatie. ‘Op een dag als deze, wat later, wat eerder, ontdek je zonder verrassing dat er iets mis is, dat je, om het zonder omwegen te zeggen, niet weet hoe je moet leven, dat je dat nooit zult weten.’ De haast vanzelfsprekende wijze waarop wij in het dagelijkse leven zijn ondergedompeld in de wereld is bij de hoofdpersoon, zonder aanwijsbare oorzaak, verstoord geraakt, stukgegaan. Het appel dat de moderne wereld op de mens doet om productief te zijn, daadkrachtig, om succes na te jagen, verliest iedere betekenis en bekoring: ‘je voelt je niet erg geschikt om te leven, om te handelen, om productief te zijn; je wilt alleen de tijd uitzitten, je wilt alleen wachten en vergeten.’

Een personage dat niet langer handelt en niet langer een band met de wereld wenst te onderhouden. Het is breken met romanconventies, breken met de elementen die een verhaal tot een verhaal maken. Wat is het dan wat Perec de lezer voorschotelt? We lezen hoe de hoofdpersoon veelal op zijn minuscule kamertje verblijft, de scheuren op zijn plafond telt, luistert naar de geluiden die zijn buurman maakt en het gedruppel van de kraan op de gang, hoe hij een spelletje patience legt. Wanneer de hoofdpersoon toch naar buiten gaat, laat hij zich meevoeren door de stroom mensen, loopt hij zonder doel rond, bekijkt schilderijen ‘alsof het stukken muur of plafond zijn’, bekijkt alles door te ‘zien zonder te kijken, kijken zonder te zien’. Het levert paginalange beschrijvingen op van willekeurige fenomenen, gebeurtenissen, plaatsen, beschrijvingen die af en toe bijna het karakter krijgen van opsommingen, waarmee het doet denken aan de beschrijvingen die Perec optekende in Tentative d’épuisement d’un lieu parisien (Nederlandse vertaling: Poging tot uitputtende beschrijving van een plek in Parijs). Het is een bestaan van onverschilligheid waarvan Perec ons deelgenoot maakt: onverschilligheid zowel ten opzichte van de wereld als ten opzichte van het eigen bestaan. Mede door het vertelperspectief gaat de leeservaring parallel lopen aan dit beschreven bewustzijn, een bewustzijn dat afstand houdt tot de wereld, weigert de fenomenen met betekenis te beladen. De taal is niet langer dat waarin personages met hun handelingen en verhoudingen tot een wereld worden beschreven, maar is louter registrerend, zonder interpretatie, zonder intentie. Het is een overtuigende weergave van een bewustzijn dat zich afzijdig houdt, terzijde, dat niets van de wereld verwacht en zelf ook geen verwachtingen wil wekken:

Niets meer willen. Wachten, tot er niets meer is om op te wachten. Hangen, slapen. Gedragen worden door de mensenmassa’s, door de straten. De goten en de hekken volgen, het water langs de oevers. Langs de kaden lopen, langs de muren scheren. Je tijd verdoen. Elk plan, elk ongeduld laten varen. Zonder verlangen zijn, zonder wrok, zonder verzet.
Wat voor je ligt is een leven dat tot in de lengte van dagen onbewogen zal zijn, zonder crisis of wanklank: niets scherps of oneffens, niets onevenwichtigs. Minuut na minuut, uur na uur, dag na dag, seizoen na seizoen neemt iets een aanvang waaraan nooit een einde zal komen: je vegetatieve leven, je nietig verklaarde leven.

De onbewogenheid die het resultaat is van dit zich onverschillig terugtrekken uit de wereld, lijkt aanvankelijk een vorm van kalme gelukzaligheid in te houden. Het is het dwingende van de wereld, de verplichtingen en verwachtingen, waarvan de hoofdpersoon zich bevrijd weet: ‘Er valt je een volkomen rust te beurt, je wordt op elk moment gespaard, beschermd. Je leeft in een gelukzalig terzijde, in een veelbelovend vacuüm, waarvan je niets verwacht.’ Maar gaandeweg lijkt de onverschilligheid jegens de wereld zich te spiegelen in de onverschilligheid van de wereld. Wie zich uit de wereld terugtrekt, is alleen. Langzaamaan raakt de hoofdpersoon verstrikt is zijn eenzaamheid, en maakt de gelukzalige onverschilligheid plaats voor het ongeluk:

Het ongeluk heeft je niet overvallen, het is niet op je neergestort – langzaamaan is het binnengeslopen, haast strelend heeft het zich meester van je gemaakt. Het heeft je leven, je handelingen, je uren, je kamer tot in hun verste uithoeken doordrenkt, als een waarheid die lange tijd verhuld was gebleven, als een van de hand gewezen vanzelfsprekendheid […].

In de nietsontziende laatste pagina’s legt Perec het ijdele van de poging van de hoofdpersoon bloot. Misschien is de wereld, het bestaan wel zinloos, maar je hieruit terugtrekken is dat ook; de onverschilligheid zelf is uiteindelijk slechts een daad van zinloosheid. ‘De wereld heeft niet bewogen en jij bent niet veranderd. Onverschilligheid heeft voor jou geen verschil gemaakt.’ Het is alsof de hoofdpersoon een staarwedstrijdje met de wereld is aangegaan, wat is uitgelopen op niets: de wereld is zijn eigen gang blijven gaan, de tijd is blijven verstrijken, en het wonder bleef uit.

Een man die slaapt levert een fascinerende leeservaring op. Perec slaagt erin de lezer mee te slepen in een bewustzijn dat met de wereld wil breken. De taal verliest zijn zeggingskracht en registreert nog slechts, en als lezer begin je te delen in de onverschilligheid van de hoofdpersoon. Dit is echter een dubbelzinnige onverschilligheid: enerzijds voel je hoe niets van wat er beschreven wordt werkelijk ertoe doet, maar anderzijds wil je niet anders dan verder lezen, omdat dit bewustzijn zo fascineert. En voordat dit alles, ondanks de pakkende stijl van Perec – in de vertaling van Rokus Hofstede – vervelend kan gaan worden, beginnen de subtiele verschuivingen in dit bewustzijn op te vallen: de eerste tekenen van een verlangen naar anderen, naar een buitenwereld, naar betekenis. En als lezer weet je dat je zelf, ondanks de gedeelde onverschilligheid, ondanks de vermeende nietszeggendheid van de woorden, bent blijven zoeken naar betekenis.

Remco Nieberg

Georges Perec – Een man die slaapt. Vertaald door Rokus Hofstede. De Arbeiderspers, Amsterdam. € 20,99.

1

Reacties