In deze tiende aflevering waad ik door het poëtisch werk van de meermaals gelauwerde en veelzijdige Anneke Brassinga, een moderne taalvirtuoos die overal inspiratie in lijkt te vinden.

Hoewel het verraderlijk is om een auteur aan het woord te laten over diens eigen werk, kan het helpen bij de interpretatie of het begrip ervan, zeker wanneer deze zich doeltreffender uitdrukt dan in het literaire werk. Zo werd Anneke Brassinga in 2005 geïnterviewd door haar collega-dichter Marjoleine de Vos voor de bundel Dichtersgesprekken. Over het maken en lezen van poëzie. Het citaat boven haar zeer lezenswaardig interview luidt: ‘Aan een huilerig gedicht heeft niemand iets.’ – wat een killere poëtica doet vermoeden dan het geval lijkt wanneer je sommige gedichten van Brassinga leest. Weliswaar strooit ze, geheel in lijn met de postmoderne traditie (waar ze zichzelf overigens nadrukkelijk van distantieert), niet met expliciete, overdreven gevoelens, maar achter het taalspel en de beeldspraak gaat naar mijn idee voldoende aandacht voor het innerlijke en contemplatieve schuil.

Neem nu het openingsgedicht Graf, dat mede dankzij de opdracht in deze bundel ‘Aan mijn moeder (1911-1993)’ direct tot de verbeelding spreekt. In slechts zes aaneengesloten regels schetst Brassinga een schitterend tafereel:

Zolang we daar stonden, de rug naar het licht
dat aanstormen bleef uit de richting waarin
wij al te lang hadden gekeken, hield zich
het voorland onbegaan. Tot scherpe gensters
ontsprongen aan de droomeheg van onze schaduw:
koudvuur, levenslicht voor onderwereldnachten.

In klare taal wordt hier een verstilde scène beschreven die met andere woorden clichématig of melodramatisch over kan komen, maar die juist aan kracht wint door originele vondsten als gensters (vonken), de aan Gorter ontleende ‘droomeheg’ en de klassieke onheilspellende ‘onderwereldnachten’. Brassinga beschrijft de natuur niet zoals zij of wij die waarnemen, maar kiest zorgvuldig woorden en treffende beelden die we hiermee kunnen verbinden als innerlijke associaties. In een kort bestek wordt daardoor veel gezegd en overdacht.

Het interview met Brassinga bevat twee interessante citaten: ‘Een gedicht moet een kernzin hebben’ en ‘Ik heb een soort regel dat een regel op eigen benen moet staan, los moet kunnen worden gelezen’. Dat laatste is bijvoorbeeld het geval in het gedicht Liefde, waarin de (vermoedelijke) kernzin luidt: ‘met lege handen sta ik steeds’. Dit zal iedere lezer in combinatie met de titel begrijpen, het is bijna van een bedrieglijke eenvoud, maar dit sluit in dit gedicht mooi aan bij het beeld van druiven die rijpen, geplukt en gegeten worden: de op zichzelf staande regels komen samen en versterken elkaar.

Waar we bij Liefde niet lang hoeven gissen naar de betekenis en samenhang van de woorden staan er in deze bundel heel wat gedichten waarin het originele taalgebruik heel wat minder vanzelfsprekend is. Neem Vleermuis, waarin achtereenvolgens sprake is van een ‘hapschaar’ die ‘kleiner kleren voor de keizer Zon’ knipt en wiens ‘gekliefde linten’ gestrikt worden op ’s Heren hoed’ en er ‘geratst’ wordt. De analogie met het knippen is nog wel te volgen, maar waar komt bijvoorbeeld die heer met de hoge hoed vandaan? Gelukkig geeft Brassinga ons enige uitleg in haar essay Hapschaar uit 1998, waarin het woord middels de Van Dale wordt verklaard als: ‘een gerechtsdienaar, een vrek, iemand die wartaal uitslaat, die zich wil doen gelden, of een penningmeester.’ Daarmee krijgt het gedicht een heel andere connotatie, die hoogleraar vergelijkende literatuurwetenschap Odile Heynders in haar zeer verhelderende toespraak bij de uitreiking van de Constantijn Huygensprijs aan Anneke Brassinga uiteenzet: ‘dat er een zwartgeklede heer (vrek) wordt beschreven die macht over anderen heeft (hij kan ze klein krijgen). Misschien is hij wel de Dood zelf.’ Zo blijkt een uitmuntende kennis van onze (verouderde) taal een voorwaarde om de poëzie van Brassinga volledig op waarde te kunnen schatten.

Door een dergelijk voorbeeld ontstaat mogelijk onterecht de indruk dat deze gedichten veelal abstract en ondoorgrondelijk zijn, maar ze komen op mij juist opvallend helder over. Het beeldende karakter zorgt ervoor dat je er van alles bij kunt voorstellen, zelfs dingen die er niet staan. Dit is bijvoorbeeld het geval in het komische en speelse Kasteelroman, waar de taal zindert, mede dankzij geslaagde enjambementen.

Het ravijn klimt op
langs de rossige lokken
van rottende varens.
Waar is de meidoorn
In maart? Ik brand
een kaars in de toren
bij avond, mijn haren
tot stekels geknot:
verlok geen minnaar
de stroom te doorwaden
tussen Liefjesvoorde
en Rozenbron. Niemand
moroser dan Repelsteel
met goud om te spinnen
uit strohalmgedachten,
ladders van wachten.

Dergelijke fantasierijke, iconische beeldspraak keert vaker terug in deze bundel, zoals in Pascal bezoekt Musée Cluny. Daarin worden de beelden op het wonderschone wandkleed opnieuw in fonkelende taal beschreven en geven deze aanleiding tot eigen gedachten, een proces dat aansluit bij het motto van Zeemeeuw in boomvork dat aan natuurwetenschapper Blaise Pascal (van de luchtdruk ‘Pa’) is ontleend: ‘par l’espace l’univers me comprend’. Iets vergelijkbaars gebeurt er in het titelgedicht van de bundel, waar een wandeling door het groen leidt tot een innerlijke confrontatie met de ‘zinnen- / zee, nee binnenzee waar ons iets onbezonken stralends / zou genaken, al was het nog zo ondoordringbaar nacht”. Opnieuw is het genieten van de fraaie neologismen, zoals ‘smartsmaragden’ en ‘strubbelingsparels’.

In deze bundel valt naar mijn idee niet echt een dominant thema of rode draad aan te wijzen (en het lijkt Brassinga daar ook niet om te doen). Natuurlijk zijn er meerdere gedichten over algemene zaken als de dood of de natuur, maar deze worden steeds weer op een andere manier beschreven. Volgens Heynders is het vooral het gebruik van de taal die een dergelijke variatie creëert: ‘Zo is het construeren van woorden overtuigender gedaan (het uitproberen en in een vervreemdende context plaatsen van ‘nieuwe’ woorden) en het woordmateriaal wint, gescheiden van poëtische conventies, aan belang. Als gevolg leveren de gedichten eerder een – fragmentarische – voorstelling op dan een herkenbare mededeling.’

In het verlengde hiervan past de analyse van Hugo Brems, die Brassinga bij zijn bespreking van deze bundel in Dietsche Warande & Belfort een impressionist noemt. Hij omschrijft de gedichten als ‘samengesteld uit waarneming, verbeelding, gevoel en taal. Die combinatie zorgt er ook voor dat de hele werkelijkheid voortdurend getransformeerd wordt, gezien en verbeeld als iets anders, dat dan zelf weer iets anders, enzovoort.’ Het is naar mijn idee de kracht van deze poëzie: bij een eerste lezing roept deze direct allerlei associaties, beelden en mogelijke gevoelens op, bij herlezing is dit nog sterker het geval, en na het uitpluizen van alle woordbetekenissen en vormen van intertekstualiteit krijgen sommige gedichten nog weer een andere lading of intrinsieke betekenis dan je aanvankelijk vermoedde.

Brassinga deinst er ondanks al deze diepe, complexe lagen niet voor terug om ook wat lucht en humor in haar gedichten te stoppen. Ik noem het gedicht Blijde boodschap, dat opent met de vrolijke regels: ‘Helaas, ik ben een onzalige trooster / o oude boterham die ik rooster’, om vervolgens allerlei gevoelens en gedachten aan brood en andere spijzen te koppelen. Daarmee doet het werk van Brassinga bij vlagen denken aan dat van Tonnus Oosterhoff, die eveneens de moeilijke combinatie van humor en bloedserieus met succes kan verwoorden. Het is opnieuw een bewijs van taalvirtuositeit om grappen te maken die niet te flauw worden en waarvan de woorden meerdere betekenissen kunnen dragen.

Tot besluit citeer ik het laatste gedicht uit de bundel, Rust roest, overigens een oorstrelende klankherhaling. Brassinga vertelt hier in haar eigen woorden waar het volgens mij om draait in haar poëzie: avontuurlijke taalspelletjes in wisselende gedaanten, om steeds weer nieuwe interpretaties en associaties te scheppen. Of, in de woorden van deze wonderlijke dichter:

Het uur tilt rust uit scharnieren –
de woordstroper gaat zijn droomstrikken lichten.

Willem Goedhart

Anneke Brassinga – Zeemeeuw in boomvork. De Bezige Bij, Amsterdam. 40 blz. 1994.

Anneke Brassinga – Wachtwoorden. Verzamelde, herziene gedichten 1987-2015. De Bezige Bij, Amsterdam. 522 blz. € 20,99.

0

Reacties