De weerslag van een gecompliceerde vader op een gezin

Het gezin van Adri van Hargen – bestaande uit vader, moeder, een dochter en vijf zonen – woont in de jaren zestig van de vorige eeuw in de achterstandswijk van Wassenaar en moet zijn best doen de eindjes aan elkaar te knopen. Het verhaal speelt zich voornamelijk af binnen de kaders van het vrome gezinsleven, waarin de dogmatisch Adri een bepalende rol speelt. De man is bij lange na niet dom, maar nou ook niet direct behept met enig empathisch vermogen, mede doordat hijzelf het slachtoffer is van zijn eigen psychisch functioneren. De obsessieve, manische perioden – die zich kenmerken door ongeremd gedrag en explosief ontploffen – zorgen voor een huis vol dreiging en hebben een grote weerslag op de gemoederen binnen het gezin, dat bijna uit gewoonte op eieren loopt. Ook al verliest hij vaak het welzijn van zijn gezin uit het oog en weet hij de meest simpele dingen voor hen te verpesten, hij kan ineens tot inkeer komen en als een kind zo verdrietig en schuldbewust reageren.

Deze omstandigheden vormen niet alleen de kinderen, maar ook moeder past zich vaak, in weerwil van zichzelf, aan de grillen van haar echtgenoot aan. En Adri? Hij zoekt zijn ‘erbarmen. Bij Bach, bij de Kerk van Rome en bij de hond.’ Het lijkt er vaak verdacht veel op dat vrouw en kinderen hem in bescherming nemen, maar omgekeerd is dit slechts zelden het geval. Moeder heeft de schone taak om de hele santekraam draaiende te houden en haar aandacht te verdelen tussen haar man en bekvechtende kinderen.

Er was niemand die zo moedeloos kon zuchten als zij. Ze leidde nauwelijks een eigen leven. Ze streepte zichzelf graag weg. Waar ‘m dat in zat, ben ik nooit te weten gekomen. Misschien was het haar geloof. Dienstmeid in dienst van God. Ze sprak er niet over, zoals ze erg weinig over zichzelf losliet […]

Steevast zoekt Adri de schuld voor zijn fouten buiten zichzelf, kleineert zijn vrouw, stelt veel te hoge eisen aan zijn kinderen en refereert voortdurend en belerend aan zijn stokpaardjes: de oorlog, Hitler en zijn God. Vooral wanneer hij ineens tot ’s avonds laat aan het werk is en dwangmatig alle begrafenissen in de buurt – zelfs van onbekenden – afloopt, is de spanning om te snijden. ‘O jee, de blaadjes vallen. Daar gaan we weer.’ Vader glijdt weer af in zijn droefgeestigheid, krijgt dwanggedachten, ligt dagen gillend in bed in gevecht met zijn demonen. Als een soort zelfkastijding scheert hij zichzelf woest tot bloedens toe.

Wat was dat toch altijd met die man? Waarom kon hij niet zo zijn als andere vaders? Waarom moest altijd alles verkeerd gaan? Altijd ellende inderdaad.

De roman biedt een herkenbaar tijdbeeld van de mores en het taalgebruik in de zestiger en zeventiger jaren, waarbij de auteur zichzelf soms wel wat verliest in al te uitvoerige beschrijvingen, en hij de jaartallen van sommige gebeurtenissen of actualiteiten creatief heeft ingezet. Ondanks de rauwe omstandigheden en de impact die de godvruchtige, wispelturige vader heeft op het gezinsleven, heeft Schoorl echter geen somber en zwaar boek geschreven. Hij heeft een goed evenwicht gevonden tussen het onverbloemd beschrijven van het ingewikkelde gedrag van het gezinshoofd en het op een luchtige en kolderieke manier verwoorden ervan. De gezinsleden, die door hun gezamenlijke vrees voor het gedrag van hun vader erg solidair zijn met elkaar, hebben, ieder voor zich, te maken met hun eigen worstelingen onder de miserabele omstandigheden, en daardoor creëren ze juist letterlijk afstand tussen elkaar, terwijl hun moeder haar uiterste best doet om de gemoederen te sussen en een hecht gezin te lijken.

Een onbekende figuur is Schoorl niet in de literaire wereld. Eerder al publiceerde hij artikelen over literatuur, onder andere in Vrij Nederland, De Gids en De Groene Amsterdammer. De afgelopen tien jaar heeft hij zich beziggehouden met het schrijven van een trilogie, waarvan Zes broers en een zus het eerste deel is. Ook de volgende twee zullen dit jaar nog verschijnen.

In de inleiding schrijft de auteur dat hij zich heeft laten inspireren door de ‘ragfijne en verwaaide herinneringen’ – van zichzelf en de overige ‘karikaturen’ – die hij voor dit boek heeft samengevoegd. De ondertitel van het boek is; ‘Autobiografie van een romanpersonage I’. Hierin schuilt iets paradoxaals, omdat je in het geval van een autobiografie immers niet spreekt van ‘romanpersonages’. Het verhaal is een chronologische, maar vrije reconstructie van zijn jeugd, gezien door de ogen van de jonge Cor. Wat de scheidingslijn tussen feit en fictie is, is voor het verhaal en de leesbeleving van de lezer niet van belang. Desalniettemin benoemt hij dat hij dit boek pas heeft kunnen schrijven ná de dood van zijn ouders.

Want mijn vader zou het niet gepikt hebben en hij zou zijn toorn niet op mij richten, maar wraak nemen op zijn vrouw. En zijn toorn was niet mals, wel bijbels, oudtestamentisch zelfs, maar bepaald niet goddelijk.

De schurende gebeurtenissen zijn met een flinke dosis tragikomische humor doorspekt; recht voor zijn raap. De ontwrichtende en uiterst pijnlijke situaties waarin de gezinsleden door het verknipte gedrag van Adri regelmatig belanden, zijn dieptriest te noemen, maar Schoorl weet de lezer steeds weer een glimlach om de lippen te toveren.

Marjon Nooij

Marc Schoorl – Zes broers en een zus. Autobiografie van een romanpersonage I. Uitgeverij DHZ GVD de Vrijbuiter. 440 blz. € 24.95.

6

Reacties