De gedaanteverwisseling

Het verhaal Die Verwandlung (1915) van Franz Kafka, over de handelsreiziger Gregor Samsa – waarschijnlijk het beroemdste verhaal uit de gehele moderne wereldliteratuur – is in de openingszin inderdaad zeer sterk.

Die openingszin luidt in het Duits:

Als Gregor Samsa eines Morgens aus unruhigen Träumen erwachte, fand er sich in seinem Bett zu einem ungeheueren Ungeziefer verwandelt.

        De uitgave van De gedaanteverwisseling die ik bezit is de vierde druk (1972) van Een hongerkunstenaar en andere verhalen, een pocket in een cassette van vijf, oorspronkelijk in 1963 op de markt gebracht door uitgeverij E.M. Querido, in de vertaling van Nini Brunt uit 1944.

Haar vertaling luidt:

Toen Gregor Samsa op een morgen uit onrustige dromen ontwaakte, ontdekte hij dat hij in zijn bed in een monsterachtig ongedierte was veranderd.

        Ik heb nog enkele vertalingen van deze aanvangszin vergeleken en Nini Brunt komt er met haar vroege versie eigenlijk het beste vanaf. Des te vreemder is het dat zij bij de vertaling van de rest van het verhaal de greep op haar moedertaal geheel lijkt te verliezen. Ik geef hier separaat enkele verbaasde voorbeelden van.
(Appendix 1)

Ernst van Altena (1988) vertaalt:

Toen Gregor Samsa op een morgen uit een onrustige droom wakker werd, merkte hij dat hij in zijn bed in een monsterlijk ongedierte was veranderd.

        Het meervoud unruhigen Träumen wordt om onduidelijke redenen ‘een onrustige droom’, wat veel minder onrustig is dan het meervoud en het ‘monsterachtige’ van Nini Brunt is beter dan het ‘monsterlijk’ van Van Altena, aangezien het insect op zich geen monster ìs, maar Gregor zichzelf wel als zodanig waarneemt.

In de joint-venture vertaling van Willem van Toorn en Gerda Meijerink (2008) is sprake van ‘een vies beest’, wat er wel heel ver naast zit.

Kees van Hage (ik heb geen datering kunnen vinden) kiest voor:

Toen Gregor Samsa op een ochtend wakker werd uit onrustige dromen, bleek hij in bed veranderd te zijn in een reusachtig ondier.

        ‘Bleek hij veranderd te zijn’ bevat geen enkele gevoelswaarde en hoewel Kafka de elementen angst dan wel verbijstering duidelijk niet in zijn verhaal heeft willen integreren, en in de opening het neutrale werkwoord fand gebruikt, heeft Brunts ‘ontdekte’ een aannemelijke connotatie van verbazing bij de waarneming van zichzelf als Ungeziefer. Het zal je maar gebeuren.

Binnen Kafka’s tekst is ‘in seinem bed’ overtollig (het meer dreigende ‘in der Nacht’ was beter geweest) maar er gaat van deze constatering, dit besef, compleet veranderd te zijn in een verachtelijk wezen, een beklemmende, zo niet onheilspellende dreiging uit, kennelijk nog niet direct voor Gregor, maar juist daarom in sterkere mate voor de lezer.
        Ungeheuer schijnt ook reusachtig te kunnen betekenen, maar de gemetamorfoseerde Gregor is niet reusachtig. Hij is wel uitzonderlijk groot, voor een insect, maar kan zich (zoals later zal blijken) met enig persen en schuren in de deuropening omdraaien, om zodoende voor de woede van zijn vader naar zijn kamer terug te vluchten.

Dat een dergelijke gedaanteverwisseling in de alledaagse werkelijkheid onmogelijk is, hoeft het vervolg van de handeling niet in de weg te staan. De lezer zou bijvoorbeeld kunnen overwegen dat Gregor Samsa alleen in zijn eigen beleving getransformeerd is tot een afstotelijk ongedierte, alsof zijn unruhigen Träumen uit de heksenketel van zijn onderbewustzijn nog niet helemaal waren uitgeborreld, maar volgens Kafka is Gregor echt in een insect veranderd. En niet zo’n beetje ook!

Nini Brunt vervolgt:

Hij lag op zijn hardgepantserde rug en zag, als hij zijn hoofd enigszins optilde, zijn gewelfde bruine, door boogvormige geledingen verdeelde buik, waarop de deken, op het punt omlaag te glijden, nauwelijks houvast kon vinden. Al zijn, in vergelijking met zijn overige omvang, zielig dunne pootjes flikkerden hulpeloos voor zijn ogen.

        Flikkerden kan alleen gezegd worden van een lichtbron, dan wel van een bepaalde menselijke geaardheid, verwoord in de wervende slogan: ‘Flikker mee of flikker op’, die in de jaren zeventig of daaromtrent in den lande opgeld deed.

Vertaaltechnische onvolkomenheden kunnen Kafka niet worden aangerekend, onwaarachtigheden binnen ‘de werkelijkheid van het verhaal’ wel. En het zijn dit soort compositorische fouten die de inhoud van een geschrift of het verloop van een film naar een dood spoor kunnen voeren of zelfs ongenietbaar maken.

Professor J.R.R. Tolkien hanteert in zijn onmogelijk moeilijke essay On Fairy-Stories de formulering The inner consistency of reality voor wat ik noem ‘de werkelijkheid binnen het verhaal’. Het Engels klinkt wat gewichtiger, zoals gewoonlijk, maar komt op hetzelfde neer.

Twee voorbeelden om mee te volstaan, één uit de cinematografie en één uit de literatuur.
        In de film Rainman (een verbastering van de naam Raymond, een jongen die zeer hoog scoort in het autistisch spectrum) bevinden zich de twee broers, Raymond en Charlie Babbitt, aan de Black Jack-tafel in een casino te Las Vegas, het vermaarde Caesar’s Palace. Raymond heeft de beschikking over een geheugen als een computer en is in staat de ingewikkeldste rekensommen in enkele seconden op te lossen. Hij is wat in Engelse vaktermen heet een autistic savant, een conditie die zich slechts schijnt voor te doen bij één op de miljoen mensen. Geen zestallige worteltrekking gaat Raymond te ver. Zo kan hij ook onthouden welke kaarten er uit de ‘slof’ aan de blackjacktafel zijn getrokken en navenant welke kaarten er nog meedoen. (Er gaan vijf spellen in een slof – 260 kaarten – en bij een restant van ongeveer een kwart worden alle kaarten geschud en de slof ‘ververst’). Dat Raymond zijn materialistisch ingestelde broer Charlie zou kunnen adviseren wel of niet te kopen is een falsificatie die de hele scene verstoort. Met zijn fenomenale geheugen zou Raymond misschien nog wel kunnen weten welke kaarten van de 260 er in de slof resteren, maar niet welke kaart voorligt. In de filmscène echter kan hij dit moeiteloos, hij koopt zelfs op 18 (waarna er een 3 volgt) en zo stapelen torens van fiches zich op, onder stijgende verbazing van de croupier en van mij. Het casinomanagement vertrouwt het niet, is bang voor card-counting (lees hierover Tim Krabbé) en verbiedt de twee spelers verder te spelen, verordonneert hen zelfs het casino te verlaten, waarop ik destijds ongeveer synchroon de bioscoop ben uitgelopen, met achterlating van mijn vriendin, wat ik tegenwoordig uit moeizaam aangeleerde wellevendheid niet meer zou doen. Beheersing scheelt een hoop onmin.

En Roald Dahl, toch een ingenieus plotbouwer, gaat schromelijk in de fout bij het verhaal ‘The Wonderful Story of Henry Sugar’.
        Henry heeft zich door intensieve meditatie, in absolute stilte en bij een rustgevende kaarsvlam, de kunst eigen gemaakt om dwars door de speelkaarten van zijn opponenten heen te schouwen, hetgeen hem aan de pokertafel goed van pas zal komen. De vraag of zoiets mogelijk is schorten wij even op. Maar vervolgens begeeft Henry zich niet naar de pokertafel, waar hij zijn winsten zou moeten incasseren, maar naar verscheidene speelzalen in Londen, waar hij winnende zetten plaatst op de nummers van de roulette, handelingen die geen enkele relatie onderhouden met zijn verworven vaardigheid. Ook gij, Roald!

*

De vermaarde stelregel, geformuleerd door Samuel Taylor Coleridge, in zijn Biographia Literaria (1817) dat de lezer bij de waardering van literatuur a willing suspension of disbelief moet tonen, neem ik ter harte, anders zou er bijvoorbeeld voor zijn klassieke gedicht The Rime of the Ancient Mariner weinig waardering overblijven, maar deze gerechtvaardigde aansporing – die ook het lezen van de Bijbel mogelijk maakt, of de gehele Griekse mythologie – heeft niet kunnen voorkomen dat ik binnen het autonome literaire kader van Die Verwandlung op enkele volstrekt ongeloofwaardige wendingen stuitte, die zich niet laten wegnemen door deze novelle bijvoorbeeld louter als een surrealistisch sprookje te benaderen, zoals Ernst Pawel doet in zijn lijvige Kafka-biografie Het leven van Franz Kafka (Amsterdam, Van Gennep, 1986, p. 314). ‘Het is een giftig sprookje over de magie van de haat en de macht van de huichelarij, een surrealistische Bildungsroman die laat zien hoe een verloren ziel verandert in een dood insect.’
        Wat een bildungsroman is weet ik niet, ik weet niet eens wat een roman is en evenmin is me duidelijk wat er magisch is aan haat, maar waar het mij om gaat is de kwalificatie ‘surrealistisch’ voor deze novelle. Een opvatting die door Max Brod gedecideerd wordt verworpen in zijn biografie van Kafka (Amsterdam, De Arbeiderspers, 1967) in een voetnoot op p. 71: ‘Ten onrechte eisen de surrealisten Kafka voor zich op.’

*

De afmetingen van het ‘insect Gregor’ worden nergens consequent beschreven. Vladimir Nabokov krabbelt bij een door hem gemaakte tekening voorafgaand aan zijn op schrift gesteld college The Metamorphosis, later opgenomen in Lectures on Literature (1980, p. 250) met potlood: ‘just over 3 feet long’. Hij heeft kennelijk een berekening van Gregors gemetamorfoseerde omvang gemaakt, aan de hand van het gedrag waartoe hij nog in staat is. (Midas Dekkers is van mening dat het hier gaat om een pissebed, hetgeen het resultaat is van een wel heel aparte leeservaring.) Gregor kan zich, met uiterste inspanning, verheffen tot de deurklink en met zijn sterke kaken de sleutel in het slot omdraaien. Hij moet dus, rekening houdend met de hoogte waarop het handvat zich bevindt, minstens zo groot zijn als een zeeschildpad, wat echter zijn latere klimtochten op weg naar zijn favoriete hangplek: het plafond, fysiek onmogelijk maakt, want zelfs al zou hij zich met zijn talrijke kleefpootjes langs de muur omhoog kunnen werken, dan nog zou hij de rechte hoek die het plafond en de muur maken nooit kunnen overbruggen, aangezien bij die oversteek, vanwege zijn lengte, het overgrote deel van zijn klimgerei in het luchtledige zou trappelen.
        Salvador Dali zou een dergelijk tafereel nog wel kunnen schilderen, door het pantser van het insect soepel en buigzaam te maken, maar met Kafka’s stellige bewering dat Gregor Samsa een hardgepantserde rug heeft wordt de oversteek van de muur naar het plafond geblokkeerd. Nabokov gaat in zijn analyse aan deze herhaaldelijk uitgevoerde klimpartij gemakshalve geheel voorbij. En tevens tekent deze literaire grootmacht (ere wie ere toekomt) een schets van het insect, gelijkend op een kever of een tor, waarbij het dier de beschikking heeft over zes lange poten, terwijl Kafka het heeft over ‘Seine vielen Beine’. Nabokov doet zo schetsmatig flink zijn best, hoewel Kafka zijn uitgever Kurt Wolff op 25 oktober 1915 per brief laat weten: ‘Het insect zelf kan niet getekend worden. Het kan niet eens vanuit de verte getoond worden.’ (Pawel p. 382), waarbij de vraag zich opdringt of er dan wellicht toch sprake is van een ziekelijke hersenschim, voortgesproten uit Gregors getormenteerde brein, want een insect dat er wel is maar niet getekend kan worden bestaat niet. En de bewering dat het ongedierte niet eens vanuit de verte getoond kan worden gaat alleen op voor een blinde fotograaf.

*

Gregor wordt door de werkster uitgescholden voor alte Mistkäfer, maar hoe zou een mestkever ooit de sleutel in het slot bij de deurklink kunnen bereiken? Nabokov voegt hier geheel op eigen initiatief aan toe dat Gregor de beschikking had over twee extra sterke achterpoten, een observatie waarnaar ik in de tekst tevergeefs gezocht heb. Bovendien heeft Gregor volgens Kafka aanvankelijk nog wel een menselijke kop, inclusief spraakorganen. De gemetamorfoseerde gedaante van Gregor roept zodoende een vergelijking op met de mock-turtle in Alice in wonderland, de zeeschildpad met een kalfskop (schildpadsoep in Engeland werd getrokken van kalfsvlees en niet van zeeschildpad) en ja, waarom accepteer ik als lezer dit niet bestaande sprookjesdier van Lewis Carroll wel en zonder morren? De reden is: omdat Alice zich niet in een bekrompen burgerlijk en verstikkend muf milieu te Praag bevindt, op een woonetage met drie kamers, zoals Gregor, maar ‘ergens’ in een wonderland onder de grond, waar alles per definitie mogelijk is, zoals in dromen, die altijd surrealistisch zijn. Alice blijkt uiteindelijk dan ook in slaap gevallen te zijn en wordt kwaad wakker, als die idiote droomwereld haar te veel wordt, met die stomme Queen of hearts, die alleen maar iedereen wil onthoofden (“Who cares for you”, said Alice. “You’re nothing but a pack of cards!”) en dan die maffe hoedenmaker en all the rest.

*

‘Het was geen droom’, schrijft Kafka.
Grete, het zusje, verzorgt het zo goed als hulpeloze insect Gregor aanvankelijk nog onbaatzuchtig met schoteltjes melk en het verplaatsen van meubilair, zodat hij een betere klimroute heeft en zich kan verschuilen onder de canapé. Een liefdevolle houding die aan het eind van het verhaal plotseling totaal blijkt te zijn omgeslagen in een onberedeneerde en onverzoenlijke haat.
        De moeder piept en huilt, zoals het een moeder betaamt, de vader ranselt het gedrochtelijke misbaksel de kamer uit en bekogelt het met appels, waarvan er één klem slaat in zijn rug. Hoe een appel door een hardgepantserde rug kan dringen wordt door Kafka niet verklaard en zou alleen in een surrealistische context gehandhaafd kunnen worden.

*

Het surrealisme op literaire leest geschoeid is niet aan mij besteed. De roman De God Denkbaar Denkbaar de God, van mijn literaire voorvader W.F. Hermans, maakt geen enkele emotie bij mij los en leent zich, waar het waardering betreft, slechts voor literair snobisme.
        Voor de schilderkunst geldt dat niet: Dali, Moesman, Willink en Magritte, heren, komt u verder; diepe buiging. Oh, Joop Moesman, uw schilderij Het Gerucht: met die blote dame op de fiets, in die stille straat met blinde muren, gezien op haar gewervelde rug, haar haar mooi glanzend gedaan en die viool op zijn smalle kant op de bagagedrager, zonder strijkstok of snelbinders, de zon op haar schitterende reet, met links in de verte kennelijk een slachthuis voor paarden, aangegeven door enge hoge deuren en een grijze paardenkop in de gevel. De vrouw in al haar vrije schoonheid, in de ochtendzon, naakt op het zadel, de suggestie van muziek, de machtigste der kunstvormen, de eenzaamheid, de onzekere bestemming. Quo vadis? Freud zou er duizelig van worden, net als ik. Waarom de schilderkunst de literatuur hier overtreft kan ik niet verklaren. Misschien omdat het beeld de onbegrijpelijke realiteit van het tafereel onweerlegbaar vastlegt en bewijst. Maar wat ik hier schrijf begrijp ik evenmin. Verder nu.

*

Tolkien hanteert Coleridge’s term suspension of disbelief niet als eerste voorwaarde voor de appreciatie van een literair werk. Een auteur moet volgens deze geleerde mytholoog allereerst trachten een internally consistent fictional world te creëren, waardoor hij bij de lezer een secondary belief mogelijk maakt, een bereidheid zich open te stellen voor de fictionele wereld, zoals die zich aan hem voordoet. Slaagt een auteur daar niet in dan voelt de lezer zich gedwongen zijn toevlucht te zoeken tot een bewuste poging het contact met de tekst niet te verliezen.

Samengevat in de volgende passage (gevonden zonder bronvermelding):

Tolkien argues that suspension of disbelief is only necessary when the work has failed to create secondary belief, saying that from that point on, the spell is broken, and the reader ceases to be immersed in the story, and so must make a conscious effort to suspend their (his LHW) disbelief or else give up on it entirely.

*

Er was bij lezing van Die Verwandlung een moment waarop ik het verhaal liever gegeneerd wilde wegleggen, maar dwars door de (op de openingszinnen na) storende vertaling van Nini Brunt heen en ondanks de serie van geforceerde handelingen en situaties, die de lezer te verstouwen krijgt, zoals:

1. de komst van de procuratiehouder om zeven uur ’s ochtends, om te informeren waar Gregor blijft,
2. de klimpartijen via de muren naar het plafond,
3. waarbij het insect/Gregor zich soms laat vallen en ‘met een plof’ op de grond belandt, hoewel hij bij een val van een meter of drie, gezien zijn constellatie, gewicht en afmeting, eerder met een daverende dreun op de vloer in stukken uiteen zou breken,
4. het met zijn insectenbek ronddraaien van de sleutel om het deurslot te openen, een kwartslag minstens (opnieuw een hoek van 90 graden) een handeling die zijn sterke kaken wel tot bloedens toe verwonden maar geen nekwervel dislocatie ten gevolge heeft,
5. de drie heren huurders, die uit het niets komen opdagen en weer in het niets verdwijnen (de drie Wijzen uit het Oosten, die wellicht de lijdende gemetamorfoseerde Christusfiguur komen eren? Je moet toch wat.)
6. de appel die Gregors vader hem in de gepantserde rug smijt
en die daar blijft steken en uiteindelijk gaat rotten en infecteren en Gregors dood veroorzaakt,
7. de ongemotiveerde hardvochtige omslag in de houding van zus Grete,
8. die in de slotregels van het verhaal ineens is opgebloeid tot ‘een mooi en weelderig meisje’ dat haar ‘jonge lichaam strekte’ en voor wie het nu tijd werd een betrouwbare man te zoeken.

Dwars door deze literaire ontregelingen heen drong de uitzichtloze menselijkheid van Gregor Samsa zich, in lichte ontroering zelfs, toch aan mij op. De arme jongen kan aanvankelijk nog denken en enigszins spreken als een mens, wil in de vroege ochtend zelfs nog naar zijn werk gaan, zoekt excuses voor zijn conditie – de term la condition vermine, ging mij door het hoofd – hoopt nog op herstel, bezweert de procuratiehouder vanachter de kamerdeur, liggend op de grond, dat hij zich al wat beter voelt en zich zo spoedig mogelijk op kantoor zal melden.

Als mens viel Gregor allerminst te vergelijken met een bepaald soort ongedierte, hetgeen eerder geldt voor de procuratiehouder, zijn ouders, de werkster, de drie bebaarde huurders en uiteindelijk ook zijn zus.

Gregor Samsa heeft getracht het gezin te onderhouden met zijn ondankbare baan als handelsreiziger in stoffen, waarvoor hij soms de trein van vijf uur ’s ochtends moest nemen. En hij heeft daarnaast gehoopt de schulden van zijn, in zaken mislukte vader, te delgen. Voor zijn muzikale zus, die zo mooi viool kon spelen, wilde hij als verrassing voor kerstmis een opleiding aan de muziekschool bekostigen. Hij was een goed mens, deze Gregor, een mens met veel gevoel, toen hij nog een mens was, maar hij moest het onderspit delven in een meedogenloze wereld, een wereld met grillige machtspatronen, waarin zijn tirannieke vader vanuit zijn leunstoel regeerde en waarin Gregor onmachtig verdwaald raakte en faalde.

*

Ik ben niet de eerste die psychoanalytische lijnen ziet tussen Gregor Samsa en Franz Kafka zelf, of Jozef K., uit de roman Het Proces, dan wel het personage K., uit de onvoltooide roman Het Slot. Men leze hiertoe de biografie van Max Brod, maar dit patroon is evident voor iedere common reader, voor iedere gemiddelde lezer, die ook maar iets weet over het leven van Franz Kafka en daarnaast de werking van het onderbewustzijn.

Onzin, volgens Vladimir Nabokov, die zoals bekend, aan Sigmund Freud refereert als: the Viennese quack, de Weense kwakzalver of de medicijnman, the witchdoctor.

Citaat:

His Freudian biographers (…) contend, for example, that The Metamorphosis has a basis in Kafka’s complex relationship with his father and his lifelong sense of guilt; they contend further that in mythical symbolism children are represented by vermin – which I doubt – and then go on to say that Kafka uses the symbol of the bug to represent the son according to these Freudian postulates. The bug, they say, aptly characterizes his sense of worthlessness before his father. I am interested here in bugs, not in humbugs, and I reject this nonsense.
(Lectures on literature, p. 256)

        Toe maar, met een leuk woordgrapje op de koop toe!

Maar in de lange Brief an den Vater, (den Vater, niet meinen) geeft Kafka zijn verwekker de volgende beschuldiging jegens hem in de mond:

Ik geef toe dat wij met elkaar strijden, maar er zijn tweeërlei strijdmethoden. De ridderlijke, waarbij twee zelfstandige tegenstanders hun krachten meten, elk van de twee vecht voor zichzelf, verliest voor zichzelf, wint voor zichzelf. En de methode van het insect, dat niet alleen steekt, maar tegelijk ook nog, om in leven te blijven, bloed zuigt. (…) Jij bent degene die niet tegen het leven is opgewassen; maar om het jezelf daarin toch nog gemakkelijk te maken en een onbezorgd leven te kunnen leiden zonder veel zelfverwijten, bewijs je, dat ik alles waarin je tegen het leven wel was opgewassen van je heb afgenomen en in mijn zak gestoken.

        Met als toevoeging van biograaf Max Brod:

Vanuit dit gezichtspunt wordt ook het ontstaan van Kafka’s ‘insect-novelle’ Die Verwandlung, en van andere novellen als Das Urteil duidelijker. (Franz Kafka, een biografie. p. 24. Vertaling: M. van Nieuwstadt).

        Het verhaal De gedaanteverwisseling (van Gregor Samsa) geldt in overdrachtelijke zin onweerlegbaar voor Franz Kafka zelf, middels een uitvergrote psychotische projectie van een overstelpend gevoel van ontoereikendheid en schuld.
        Hoe onbeholpen ook geschreven.

L.H. Wiener

APPENDIX 1:

1. (…) en bovendien wordt mij nog de plaag van het reizen op de hals geschoven. (p. 38)
2. Houdt u zich toch niet op, meneer de procuratiehouder, ik kom dadelijk zelf in de zaak (…) (p. 45)
3. Dat schrikte hem dadelijk op (…) (p. 59)
4. De eerste veertien dagen konden zijn ouders het niet over zich verkrijgen (…) (p. 61)
5. (…) en toen zette zij het zich in haar hoofd (…) (p. 62)

APPENDIX 2:

Vladimir ‘Virtuosovitch’ Nabokov (ik reik hem mijn eervolle epitheton, alleen al op basis van zijn uit 1955 daterende roman Lolita, gaarne aan) moest niets hebben van Sigmund Freuds psychoanalytische theorieën.
Waarom dit zo is valt niet moeilijk te raden, als men bedenkt dat Nabokov vanaf zijn vroegste jeugd in de velden rond Sint Petersburg verslaafd was aan het wegvangen van zo ongeveer de schoonste der insecten, de vlinder, om die vervolgens met een in ether gedrenkt watje dood te maken, zoals hij met bijna sadistisch genoegen vermeldt in hoofdstuk VI van zijn autobiografie Speak, Memory.

In het Engels staat dit ritueel er zo:

The soaking, ice-cold absorbent cotton pressed to the insect’s lemurial head; the subsiding spasms of its body; the satisfying crackle produced by the pin penetrating the hard crust of its thorax; the careful insertion of the point of the pin in the cork-bottomed groove of the spreading board; the symmetrical adjustment of the thick, strong veined wings under neatly affixed strips of semitransparent paper. (p.95).

        Men kan zijn ogen moeilijk geloven bij het lezen van deze regels, maar in het Nederlands staat er toch echt dit:

Het doordrenkte, ijskoude absorberende watje, aangedrukt tegen het maki-kopje van het insect; de afnemende schokjes van zijn lichaam; het aangename geknisper dat de speld teweeg brengt bij het binnendringen in het harde schild van zijn borstkas; het secuur steken van de speldenpunt in de bodemgroef van het kurken prikbord; het symmetrisch uitvouwen van de stevige, fors beaderde vleugels onder netjes bevestigde stroken half doorzichtig papier.

        Het schijnt dat een met glas afgedekt houten kistje, waarin de vlinders in evenwijdige rijen vastgeprikt staan, in het lepidoptoristen jargon een ‘vlinderboek’ genoemd wordt, waarin de vlindervriend naar hartenlust kan lezen. Nabokov ging prat op het verzamelen van een hele ‘vlinderbibliotheek’, die jammer genoeg in Rusland moest achterblijven en verloren ging, toen de aristocratische familie in 1917 moest vluchten voor de Bolsjewieken.
        Een nieuwe bibliotheek werd later in Amerika met een ruim bemeten meester-prikkenbeen-net onverminderd enthousiast uit de lucht geslagen.
        ‘Beauty will save the world,’ zegt Nabokov ergens.
        Ik kan alleen niet meer vinden waar.

*

Bovenstaande appendices (appendix 1 hier van 30 verbaasde voorbeelden ingekort tot 5) heb ik voorgepubliceerd op het literaire weblog van het digitale blad Tzum, waarbij mij er van verschillende kanten op gewezen is dat de uitspraak Beauty will save the world niet van Nabokov is, maar voorkomt in de roman De Idioot van Dostojevski. Daar kan ik het citaat niet hebben gevonden, aangezien ik die roman niet gelezen heb. Zelf heb ik de uitspraak niet bedacht, zodat ik vermoed dat Nabokov het ‘ergens’ gebruikt heeft, hopelijk met bronvermelding. Ik houd mij aanbevolen voor nadere opheldering.

Tussentijds vervang ik het gewraakte citaat door een ander, dat bewijsbaar van Nabokov zelf is en tevens goed aansluit bij wat die arme Gregor Samsa is overkomen, het luidt: Beauty must die. (Vladimir Nabokov, Lectures on Literature, p. 251).

2