Op mijn kleine steiger naast de wereld

Het einde van de poëzie? Verwacht bij Mark Boog (Utrecht, 1970) daarover geen gezwollen taal of onheilszwangere taferelen. Bij Boog kan je dat einde bijvoorbeeld al tegenkomen als hij wegloopt van een druk marktplein, en via een steeg naar een stille gracht loopt. Hij doet er een

stap vanuit de schaduw in het licht
een paar passen terug, nogmaals
uit de schaduw in het licht, weer
uit de schaduw in het licht,

en luister naar de verte.
De verte is geraas,
een marktplein, poëzie.
Hoogop klapwiekt afgrond.

De afgrond klapwiekt. En misschien de dichter ook wel, duizelig en hallucinerend als hij zal zijn na het spel met licht en donker, met daarbij nog eens de stilte van een gracht en het geruis en geraas van een markt verderop.

Het einde van de poëzie en andere gedichten, zoals de negende bundel van Mark Boog in het binnenwerk heet, gaat niet alleen over zo’n einde. Het gaat ook over het licht. (Zwaluwen laten licht door,/ meer nog dan geen zwaluwen). En over de werkelijkheid, die de poëzie vaak overtreft. (Ik stapte uit bij halte Definitief Vervallen.)

En ja, natuurlijk, over poëzie.

En dus ook over het einde van de poëzie. Als mogelijkheid althans, zoals Boog ook aan veel andere zaken mogelijke eindes toeschrijft. Het einde van bijvoorbeeld liefde (Je kunt het je voorstellen/en dat is genoeg). Of het einde van elke oorlog behalve deze (Zoals het gaat: de ene partij/krijgt de overhand, de andere geeft op,/aan de late kant. Het stopt.)

Is er ook leven na het einde van de poëzie? Jazeker, schrijft Boog met een bijna religieuze opgewektheid: ‘alles zal nieuw zijn’, schrijft hij hoopvol. Al zijn er ook momenten dat hij wel beter weet. Want waar loopt het eigenlijk meestal op uit, met nieuwe plannen, ambities en nieuwe poëzie? ‘Nu verandert er alweer niets.’

De laatste regel van de bundel is berustend. De pessimist heeft gewonnen van de optimist. ‘Er is niets dan hoop, wat koop je voor hoop’, besluit Boog.

Dat neemt niet weg dat hij elke keer een intense en gretige gooi doet om het leven te vangen, te registreren. Om daarmee vast te stellen dat er iets gebeurt. Iets verandert. Omdat híj het ziet.

En dus zet Boog alle zintuigen open en kijkt hij steeds weer naar de wereld met nieuwe ogen, in de veronderstelling dat er elk moment iets kan gebeuren dat hij wil opschrijven, nee móet opschrijven. En daar altijd, zoals een visser hoopvol zijn schepnet al naast zich heeft liggen, helemaal klaar voor is.

Op mijn kleine steiger
naast de wereld, het is
onduidelijk of de zon schijnt,
in de schaduw misschien,
een stoel, een lage tafel, gerei,

probeer ik terug te denken, in te beelden.
Er klinkt geluid, water klotst
kalm maar luidruchtig tegen de kant,
iets huilt, het zal de wind zijn.

Een idylle. In de geest is het nu,
in wezen nu, naar de letter nu.
Het is duidelijk
dat er iets gaat gebeuren.

Matthé ten Wolde

Mark Boog – Het einde van de poëzie. Cossee, Amsterdam. blz. € 12,99.

3