Welbeschouwd is Mijn Vlaamse jaren van Jeroen Brouwers, hoewel pas onlangs [1978] verschenen als no. 47 van de serie Privé-domein, geen hieuw boek.

Op een paar brieffragmenten na, die tezamen hooguit een tiental bladzijden beslaan, werden allé gebundelde „verhalen, herinneringen, pamfletten, dagboekfragmenten, brieven” eerder gepubliceerd. Hoofdstuk I: ‘Groetjes uit Brussel’ en hoofdstuk II: ‘Zonder trommels en trompetten’ werden in respectievelijk 1969 en 1973 door Manteau als aparte boekjes uitgegeven. Ze liggen al jaren bij De Slegte op stapels die maar niet kleiner willen worden. In hoofdstuk III: ‘Petites histoire van een geannexeerde Nederlander’ bundelde Brouwers polemische stukken, waaronder de geruchtmakende bijdragen aan Maatstaf: ‘J. Weverbergh en ergher’ en ‘Vlaanderen op zijn erghst’ (1976,1977). Tenslotte bevat hoofdstuk IV: ‘Overal stilte’ fragmenten van brieven aan Tom van Deel, waarvan selecties eerder in De Revisor en Tirade werden opgenomen.

Geen nieuw boek dus, maar wel een belangrijk boek, want Jeroen Brouwers is een belangrijk schrijver. Hij woonde en werkte twaalf jaar lang in Vlaanderen als directiesecretaris van uitgeverij Manteau. In die periode maakte hij kennis met het verschijnsel herschrijven: ‘krankzinnig beroemde Vlaamse auteurs’ leverden (leveren?) hun teksten ongecorrigeerd in, waarna anderen, lees: bovenmoerdijkers, lees: Jeroen Brouwers, de manuscripten uitvlooien op ’taaipus’.

In de woorden van Brouwers:

De rotzooi wordt bij Manteau zó naar binnen gegooid, aangezien het auteur wel weet dat het toegewijde uitgeverspersoneel er alle aandacht aan zal besteden: zijn rotzooi wordt herschreven, indien nodig overgetypt, gewassen, gemangeld, gesteven, gestreken, strikje erom en hup, weer een auteur die voor ‘vol’ wordt aangezien. Bladzij zoek? Auteur ook zoek? Geeft niet. Bladzij schrijven we er zelf even bij, show must go on. (blz. 196).

Vooral J. Weverbergh, nu directeur van Manteau, daarvoor bestrijder van alles wat Vlaamse literatuur was, moet het ontgelden. Hij ontsloeg Brouwers. Brouwers is zo boos op Weverbergh, dat hij de opdracht die in de eerste druk van Groetjes uit Brussel werd afgedrukt (‘Geschreven op heldhaftig aandringen van Julien Weverbergh en staande op de tweesprong opgedragen aan Jef Geeraerts’) in Mijn Vlaamse jaren heeft weggelaten. (Op Jef Geeraerts is Jeroen Brouwers ook boos, zie: ‘Jef Geeraerts. Enige scherven’).

Boos is Brouwers trouwens ook op de neerlandicus Mare Galle (de bezorger van het verzameld werk van Marnix Gijsen), die in Groetjes uit Brussel eerste druk in een noot nog ‘mijn vriend wordt genoemd. Deze voetnoot is nu verdwenen en Galle heet nu een ‘miesmacher broekpurist’ (blz. 244) en ‘De Gijsenparasiet’ (blz. 251).

In Mijn Vlaamse jaren valt een grove tweedeling aan te brengen: de hoofdstukken  I en III behandelen de positie van Jeroen Brouwers in de wereld en dan speciaal in de wereld der letteren; Brouwers beschrijft die wereld vanuit zichzelf en schuwt daarbij de anekdote niet (hij publiceerde eerder Zachtjes knetteren de letteren, een boek vol literaire anekdoten). In de hoofdstukken II en IV geeft Brouwers zich over aan zelfbespiegelingen met als hoofdthema’s: dood, liefde, literatuur. Brouwers is in zijn isolement in zijn element.

Hij heeft een zeer eigen, herkenbare stijl van schrijven – hij schrijft schijnbaar speels (schijnbaar, ja; schrijf je: hij schrijft speels, dan doe je hem tekort; het ‘speelse’ zit hem in de verfijnde perfectie die het resultaat is van veel wikken en langdurig wegen; zegt Brouwers: ‘Nee, schrijven, dat is geen speeltuin’), hij is de taal steeds de baas en, hoe zwartgallig de stemming van net moment ook is, weet het verhaal steeds een zodanige draai te geven dat het verheven wordt tot het tragikomische, dat meer is dan enkel tragedie of enkel komedie.

Vooral is Brouwers componist; Details keren bij hem steeds terug, alles vloeit als in een symfonie in elkaar over. De gewoonste dingen worden symbolen en krijgen een mythische betekenis: op blz. 109 wordt de omslagdoek van een mummie in een museum beschreven, die op blz. 141 grote overeenkomst vertoont met de omslagdoek van het meisje waarmee de schrijver verkeert. Op blz. 36 ziet Brouwers in een etalage van een begrafènisonderneming (we zijn in België!) een opengeslagen boek ‘met tussen de bladzijden de altijd schrijf gerede pen’, op blz. 45 is de schrijver ‘een meneer – in zijn hoofd het boek dat altijd open ligt met tussen de bladzijden de altijd schrijfgerede pen’.

In het eerste hoofdstuk van ‘Groetjes uit Brussel’ laat hij zich met een andere dan zijn eigen vrouw in. Er wordt tweemaal van een appel ‘die zo zuur is dat er rillingen over je rug lopen’ gegeten. Het is duidelijk: vanaf nu zal alles anders zijn; nooit zal Jeroen Brouwers zich nog ergens thuisvoelen, overal is hij een vreemde. Vooral daarover gaat Mijn Vlaamse jaren.

Waarover Brouwers ook schrijft, over zichzelf, of over anderen (maar toch altijd weer over zichzelf), hij is altijd een schrijver van wie je méér wilt lezen.

Frank van Dijl

Jeroen Brouwers – Mijn Vlaamse jaren. Privé-domein no. 47. De Arbeiderspers.

Deze recensie werd eerder gepubliceerd in Het Vrije Volk van 22 juli 1978.

1