Een ommetje door de eeuwigheid

Niet alleen de voetbalfans, kroegtijgers en pretparkbezoekers zaten door de corona-pandemie gedwongen thuis, dat gold ook voor de kerkgaande gelovigen. Daar werden niet zo veel woorden aan vuil gemaakt; een ‘niet-essentiële winkel’ in termen van corona-persconferenties. Willem Jan Otten, kerkgaand Rooms-Katholiek sinds zijn doop in 1999, wilde al lang een uitgebreid essay schrijven over het liturgisch jaar. In Zondagmorgen, ook opgebouwd van week tot week, reageert hij meteen op hoe ingrijpend het ‘missen van de mis’ voor gelovigen is.

‘De weg van het geloof is een weg van missen’, schrijft Otten al aan het begin van zijn essay, dat je even gemakkelijk tijdloos als actueel kunt noemen. Tijdloos omdat het alle 52 zondagmorgens van de kerk bespreekt, actueel omdat het ingaat op de huidige jaren waarin mensen sinds lange tijd weer stevig geconfronteerd worden met hun eigen sterfelijkheid. Uiteraard legt Otten daarbij de verbinding met de Bijbelverhalen, waarin het missen van de hoofdpersoon, Jezus, immers het centrale punt vormt.

Willem Jan Otten is essayist en schrijver, waar hij onder meer de P. C. Hooftprijs voor kreeg, maar niet in de laatste plaats dichter. Zijn dichterlijke inborst sluit goed aan bij de poëzie die natuurlijk onmiskenbaar in de Bijbel aanwezig is. Hij haalt daarbij Les Murray aan, die ooit opmerkte dat ‘een religie een groot gedicht is en een gedicht een kleine religie’.

Het zegt veel over Ottens kijk op het gelovig-zijn, waar hij na zijn bekering vaak op is aangevallen: een gelovige intellectueel, hoe verzin je het. Maar voor Otten zijn geloof en poëzie allerminst een tegenstelling. In Trouw merkte hij eens op niet te weten of hij zonder dichterschap wel tot geloof zou zijn gekomen.

Ottens meer persoonlijke beschouwingen en opmerkingen in dit boek moet je dus ook bij voorkeur met die bril op lezen. ‘Een mis is […] om te beginnen saai’, schrijft hij, om er steeds opnieuw aan toe te voegen dat die ‘saaiheid’, die eindeloze herhaling – want is het liturgisch jaar met al zijn plechtigheden, gebeden en rituelen eenmaal voorbij, dan begint alles weer van voren af aan – ook de kracht vormt. Otten staat als geen ander open voor de dichterlijke mystiek, die juist in het Rooms-katholicisme zo ruim voorhanden is en waarop hij kan voortgaan. Hij schrikt er bijvoorbeeld niet voor terug dat liturgisch jaar ‘een ommetje door de eeuwigheid’ te noemen en weigert de Rooms-Katholieke kerk als ‘club’ te zien. ‘Zij verhoudt zich als de zee tot een zwemvereniging’.

De titel Zondagmorgen verwijst dan ook zeker niet naar een wekelijks corvee, maar juist naar een paar uren volkomen los-zijn van de prozaïsche dagelijkse malheur:

Je zit in de kerk om, geholpen door gebaren en geprevel, gezeten tussen ademende anderen, niets te zien, en de blik binnenwaarts te richten. Hoe volgestouwd met beelden en schilderingen de kerk ook is, een van de eerste, direct heilzame uitwerkingen van de mis is: beeldrust. je schuilt voor de beeldenstorm die door je dagelijks leven en zijn media raast, in de hoop afgestemd te worden op iets onzichtbaars, waarvoor een ander zintuig gescherpt moet worden – het tegendeel van een oog: je geestesoor.

Een vergelijking met het vorig jaar verschenen Godschaamte van de ook op latere leeftijd Rooms-Katholiek geworden essayist en schrijver Stephan Sanders dringt zich geregeld op. Sanders heeft het over het zoeken naar ‘das ganz Andere, het heilige, het ontzagwekkende en niet zelden ook onbegrijpelijke’. En dat dat niet eenvoudig is in een maatschappij die daar weinig begrip meer voor heeft. Sanders herkende zijn eigen ‘deinsgedrag’, een term waarvoor hij naar Otten verwees. Uit de kast komen als homo was hem lichter gevallen, schreef hij. De term terugdeinzen komt in Ottens boek dan ook voor. Nadat eerst zijn vrouw, Vonne van der Meer, meer dan vijfentwintig jaar geleden de stap naar de kerk had gezet, probeerde hij het ook. Maar dat vroeg vijf jaar durf verzamelen:

Daar stond je, en ineens herkende je mensen die wel gedecideerd naar binnen gingen. Het echtpaar van de ijzerwarenhandel. Je hebt hen mompelend gegroet, en bent doorgelopen alsof je je hond zocht. De eerste keer een kerk betreden bleek moeilijker dan je je herinnerde dat nog weer twintig jaar eerder een pornowinkel binnengaan was geweest.

Het is heel vergelijkbaar met Sanders’ eerste stappen in de richting van de kerk, na verloop van tijd hun beider kerk, de hoofdstedelijke, internationaal georiënteerde Nicolaasbasiliek tegenover het Centraal Station.

Het probleem met intellectuelen die willen geloven is vaak dat zij ook weten wat zijn niet willen geloven. Ze willen er niet intrappen. Waar niet in? In, laten we zeggen, troostsmoezen.
Een ander probleem is dat zij denken ‘overtuigd’ te moeten worden, zoals een schaker, die de juiste voortzetting van zijn partij zoekt.
Hoe leg je uit dat het om bezwijken gaat?

Waar het bij Otten vooral om ging was de kwestie van de herrijzenis. ‘Het lukte je niet te geloven dat Jezus was opgestaan. Je vond het niet ‘overtuigend’ ’, schrijft hij. Maar daar kwam dus op zeker moment verandering in; ‘De steen des aanstoots is inderdaad de hoeksteen geworden’.

Zondagmorgen is veel minder dan Sanders’ Godschaamte een ‘coming-out-boek’, al is dat aspect zeker aanwezig. Het is toch in de eerste plaats een stapsgewijze wandeling door het liturgisch jaar. Otten doet dat erudiet, weloverwogen, ontspannen en bovenal in prachtige bewoordingen. Het boek verwijst naar kunstenaars, films en vooral schrijvers en dichters als C.S. Lewis, Simone Weil, Frans Kellendonk, Gerard Reve, Jorge Louis Borges, maar ook emeritus paus Benedictus, die zijn persoonlijke kijk op Jezus te boek stelde.

Willem Jan Otten is als kundig essayist als weinigen in staat de zeker voor buitenstaanders zware, om niet te zeggen hermetische kost redelijk lichtvoetig te houden. Hij doet dat met talrijke hedendaagse verwijzingen (‘van kuddegeest beticht worden is het schandaligste wat je in een liberale samenleving kan overkomen’), woordvondsten (‘geloofspoger’), aangename relativeringen (bidden blijft vaak steken in een halfbakkenheid van mediteren en suffen) en gedichten, deels van eigen hand.

En net als Sanders, laat ook Otten niet na het geloofsrelativisme en de religie-afkerigheid van de agnosten en atheïsten, waartoe ze zelf zo lang behoorden, als minstens even dogmatisch te kenschetsen. ‘Je betwijfelde nimmer je twijfelzucht.’ Heilig geloven doen de meeste mensen tegenwoordig in andere grootheden, zoals statistieken en metertjes. Dat leerde de corona-pandemie wel, toen ook de kerken geheel of grotendeels leeg moesten blijven. Maar de missen werden wel degelijk opgedragen en het koor bleef onverdroten zingen. Een niet te missen punt.

André Keikes

Willem Jan Otten – Zondagmorgen. Skandalon – Middelburg. 264 blz. € 25,99.

5