Een tijdloos bos

Deze heruitgave van De bomen van A. Alberts, zijn romandebuut uit 1953, is vooral in het begin even wennen. De zinnen zijn kort, kinderlijk soms, en er wordt consequent aangegeven wie wat zegt.

We gaan tot aan het bos, zei Fientje.
Waar is het bos? vroeg Aart.
Verder, zei Fientje. Ik ben er gister met Marie geweest.

Het verhaal begint in 1917. Aart, aan het begin van het boek een jongetje van een jaar of 8, zijn oudere zusje Fientje en hun moeder zijn in een huis aan de rand van een dorp komen wonen, vlak bij een bos. Ze hebben een meisje in dienst, Marie. Per rijtuig zijn ze aangekomen. Waar hun vader is, wordt niet duidelijk. Wel komt er vaak een oom langs, die de kinderen meeneemt om ritjes met zijn auto te maken.

We volgen Aart en Fientje die de omgeving ontdekken en vooral Aart is geïntrigeerd door het bos. Niet het kleine bosje dicht bij het huis, maar het grote bos in de verte. Marie woont verderop, aan de rand van dat bos, met haar ouders die boer zijn.

Na een aantal bladzijden wennen de korte zinnen, al blijft het storend dat bij de dialogen steeds de spreker genoemd wordt. Je wordt als lezer aan de hand genomen om maar vooral niet de weg kwijt te raken in de gesprekken. Evenzo wordt Aart aan de hand genomen om niet te ver het bos in te gaan. Toch verkent hij het bos en maakt er uiteindelijk een soort burcht, die een veilige haven wordt om zich in terug te trekken.

Als je over de stijl heen stapt en je laat meenemen het verhaal in, wordt het juist in die eenvoud naast een luchtig en soms grappig verhaal ook steeds wat gelaagder. We zien de wereld door de ogen van een opgroeiend kind, dat zich verwondert, nieuwsgierig is naar wat er achter de bomen schuilt.

In het midden verschuift het perspectief naar meneer Barre, de meester van Aart. Meneer Barre is eenzelvig, houdt eigenlijk niet van mensen maar komt toch graag in de dorpskroeg en bij de familie van Aart en Fientje. Hij raakt zelfs een beetje bevriend met de oom. Het is interessant hoe deze schoolmeester worstelt met zijn enigszins misantropische houding en de hang naar afleiding en aandacht. Tussen de regels door wordt langzaam wat spanning opgebouwd. Wat is zijn relatie met Aart, waarom gaan ze samen naar het bos?

Tussen de wat langere hoofstukken zitten redelijke tijdsprongen. Fientje wordt ouder en gaat zich verloven, meneer Barre drijft weer aan de achtergrond en Aart gaat uiteindelijk studeren. Alleen is dat studenten leven moeilijk te rijmen met zijn liefde voor de rust van de natuur, voor de veiligheid van de bomen.

De bomen is een sprookjesachtig verhaal over loskomen van de veilige kindertijd, aftasten welke volwassenen om je heen juist meer of minder te vertrouwen zijn. Aan de ene kant is er het bos dat er uit de verte onbekend en wat vervaarlijk uit ziet, aan de andere kant kun je vanuit de bescherming van het bos de wereld bekijken en verkennen. Het bos zingt zich in het verhaal langzaam los van de tijdgeest van begin vorige eeuw. In het nawoord betoogt Joost Oomen dat elk kind wel zo’n bos kent. ‘Het bos in De bomen is het bos in mijn hoofd, in jouw hoofd, in ieders hoofd.’

Arjen van Meijgaard

A. Alberts – De bomen. Das Mag, Amsterdam. 146 blz. € 18,99.

2