Op zoek naar een gedroomde werkelijkheid

Kokanje, de nieuwe dichtbundel van Hannah van Binsbergen, beoogt weliswaar de weg uit de dagelijkse ellende naar het paradijselijke, sprookjesachtige en overvloedige Luilekkerland te wijzen, maar confronteert de lezer meteen met het onmogelijke daarvan. ‘Overvloed is mogelijk, maar we moeten er wel voor vechten’ belooft de achterflap optimistisch, maar de te slechten drempels zijn er niet minder om. Maar goed, zonder goede voornemens komt er van geen enkel plan iets terecht, dus op weg dan maar.

Dolen

De rotgang der geschiedenis begon
met bouw. Arm land, wat dacht je
dat ze murw en nietig in het bivak zouden blijven
elke dood een schok en honger dagelijks
soms dodelijk? Breek af dit doolhof
zeiden zij en maak een kavel

zo begon ons dolen. Helderte verscheen.
De kleinste streep schoot naar de verte
een zang vloog dertig eeuwen later uit het stof
om ons de oren af te zagen, hier en nu
waar wij allang een eigen lering trokken.
Ons alfabet, ons plaagtuig. Een borgpen voor
een schommelend visioen zolang de pot nog papt

maar het drijft, ons narrenschip
drijft het dan niet? Vallend lopen recht
de armen in van de vermoeidheid, ja we
hapten stof, ja eigen domme schuld, en alles
wat te vuur staat brandt. Laat los de boze
honden langs de lijnen van de tekst
terug tot de afkomst, waar de vrede ook niet woont
en laten – vrienden – laten we een nieuwe bouw beginnen

We zitten met ‘Dolen’ nog erg voorin de bundel, maar de harde werkelijkheid lijkt al onontkoombaar. De eerste strofe voert terug naar ver voor onze jaartelling, toen de ‘rotgang der geschiedenis begon / met bouw’. Die ‘rotgang’ verwijst niet alleen naar versnelling, maar ook naar verrotting. De verrotting van de wereld begint met bouw, met kavels. Met eigendom en lange werkdagen. Terwijl het er daarvóór, in het doolhof, allemaal zoveel relaxter aan toeging. In zijn boek Sapiens beschrijft Yuval Noah Harari onder meer de landbouwrevolutie (van ruim 11.000 jaar geleden). Die revolutie lijkt erg op Van Binsbergens ‘rotgang’. Mensen gingen hun bezit afbakenen en probeerden de chaos te beregelen. Dat heette ‘vooruitgang’, maar dat wil nog niet zeggen dat iedereen dat ook zo voelde. Er waren er die voor de nieuwe orde pasten en ‘zo begon ons dolen.’ Het enige dat deze buitenbeentjes hadden was hun creativiteit en hun taal (‘Ons alfabet, ons plaagtuig’), wat de aangepasten er niet van weerhield om terug te slaan, hen voor gek te verklaren en hen een ‘narrenschip’ toebedachten. Het slot van het gedicht lijkt wat fatalistisch (‘laten we een nieuwe bouw beginnen’), maar het is zeker geen capitulatie. Wie immers de taal beheerst, heeft geen fysieke bouw nodig. Die kan bouwen in zijn hoofd, nieuwe werelden scheppen waar niemand hoeft te werken, de zon altijd schijnt en voedsel en drank in overvloed is. Alles wat daarvoor nodig is, staat in de eerste regel van het volgende gedicht: ‘Geef ons één dichter die de zee begrijpt’.

De laatste cyclus in Kokanje heet (net als de eerste trouwens) ‘De waarheid in Luilekkerland’ en je voelt als lezer de bui al hangen. Na alle moeite zal uiteindelijk dat doel ook wel tegenvallen. Het gedicht ‘Lachen’ meldt:

Een mens moet eten, dat weet iedereen
maar dat te weten bakt de koek nog niet en daarom
hop! De wouden in.
Want rapen is geen werk en garen is geen stelen
ons loon hangt aan de struiken en sputtert onder onze voet

De gebraden vogels komen de dolers niet bepaald de mond in vliegen. Zij zijn nog steeds de verzamelaars van voor de landbouwrevolutie. Ze zijn van ver gekomen, maar uiteindelijk weten ze: ‘het verhaal / is helemaal geen verhaal’. Waarna de dichter in de volgende strofe zichzelf opvoert:

Lachen of wenen, welke moeten we kiezen?
Ik heb het nooit geweten, zoals ik fout en ongeluk verwar, zoals ik
niets weet.
Ware ik de bins zoals ik was en ben, dan zocht ik glorie
moeilijker te duiden dan triomf maar langer, meer de moeite
mooi huis met lekker eten en genoeg te lezen
over de heuvels, in het bos.

Het lijkt een anticlimax en dat is het ook, het lijkt een open deur en dat is het ook. Dromen zijn nou eenmaal dromen. Het gaat er niet om om over de kavelmensen te triomferen, maar om in langdurige glorie en tevredenheid je eigen kleine Kokanje te maken. Mensen hebben Kokanje immers nodig om er naar toe te leven, niet om er te arriveren. En als de moeizame weg erheen geplaveid is met de bijzondere taal, de krachtige beelden en de mooie poëzie van Hannah van Binsbergen, dan is die reis alleszins draaglijk

Jan de Jong

Hannah van Binsbergen – Kokanje. Pluim, Amsterdam/Antwerpen. 72 blz. € 24,99.

1