Persoonlijke, maar royale gedichten

De gedichten van Emma Crebolder lijken altijd heel persoonlijk. Dat zijn ze natuurlijk ook, maar dat zou niet genoeg zijn de voor literaire meerwaarde die we graag aan goede poëzie toekennen. Alleen maar mooi en persoonlijk is leuk, maar wat moet de lezer ermee? Gelukkig stelt Crebolder op dat punt nooit teleur. Ook in haar nieuwe bundel, Uitlichten, voeren de gedichten de lezer mee door het leven van de dichter, maar ze confronteren die lezer daarbij ook voortdurend met zichzelf.

Sommige gedichten laten zich plaatsen in Zuidelijk Afrika, waar de dichter woonde, andere in Zeeuws-Vlaanderen, waar ze opgroeide. De biografisch ogende gedichten (het achterplat spreekt van ‘episch-lyrisch’) rijgen zich vooral in het begin van de bundel als een lange herinnering aaneen, zoals op bladzijde 10:

Later dreef ik wijdschoots in de Schelde
de hemel die vertelde via wolkenstrips
en heilig water, immers zout genas de wonden
van het klimmen naar onbekende schimmen
in het welvende gewas. Langs de dijken
graasden schapen pollen van het firmament die
aangroeiden terwijl ik daar lag.

Gestrekt in het goud-
doorluchtig riet, de schat van
Kriekeput maar was er niet.
Wel danste er een vos
en de echo van de zang
die mij nimmer meer verliet.
Tot het hoogste, tot
het laagste. Ik volg hem
opgejaagd door schrik
en welbehagen. Noem
en voel hem mijn kleine tijd
mijn roof, mijn gave.

Is het één gedicht? Zijn het er twee? Zijn het delen van een nog langer gedicht dat nog een paar bladzijden doorloopt? Ik hoop, terwijl ik dit schrijf, op geen antwoord, omdat het er niet toe doet. Juist de cadans van opeenvolgende gedachten voert de lezer mee naar zijn eigen verleden. En dat dat wellicht een verleden is zonder Schelde of Kriekeput is dan van zeer ondergeschikt belang. Natuurlijk, als je jong bent in Zeeuws-Vlaanderen is de Schelde nooit ver weg. Maar dat mag ook de IJssel zijn, of de Dapperstraat of de Martinitoren. Kinderdromen bloeien immers overal. Logisch dat die langs de Schelde naar Kriekeput en de verhalen rond Reinaert de Vos voeren. Maar juist door de plaatsen en de herinneringen roepen deze gedichten weemoed op, die oude vergaarbak van goede en slechte, maar altijd vertekende herinneringen. Het is een weemoed die tegen het eind van de bundel terugkomt in de regels ‘De kleinkinderen leggen traag hun tong om de wereld. / De ouderen verliezen grip.’ Het verloop van het leven zoals het hoort.

Ook in de Afrikaanse herinneringen is het steeds die bedrieglijke ‘ik’ die de woorden naar zich toe trekt:

Hoe ik niet vergat
Sanduku la posta 16 met sisalstaken afgezet.
Een zandweg met aan het eind de
geur van altijd bloeiende citrusbomen.
Op rotsblokken lag grijze was te drogen.
Ik zag een moeder met haar dode kind
uit het ziekenhuis komen en op wachtende
familie toegaan. De grootvader nam
het over, omwikkelde het wezentje
met wit doek en legde het op
de uitgestoken armen van de vader.
Met linten tegen zijn borst gebonden.

Ze stonden daar verscholen om dan
achter elkaar over het smalle pad
de heuvels in te lopen.

Het lijkt een kille, bijna journalistieke weergave van de feiten. Die grijze was, die op rotsblokken te drogen ligt, ondersteunt die suggestie nog meer dan de beschreven gebeurtenissen. Toch gaat het ook hier (weer) niet zo zeer om de anekdote, de treurende familie, maar om omgaan met verlies. Ik vind het eigenlijk ondanks alle ellende een nogal positief gedicht, juist door die laatste regels. Want precies doordat de familieleden ‘achter elkaar over het smalle pad / de heuvels in […]lopen’, vluchten ze niet voor het leven, maar treden ze het vol vertrouwen tegemoet. Ach, het is slechts een van de mogelijke interpretaties.

Uitlichten is misschien wel Crebolders meest persoonlijke bundel tot nu toe. Maar het is denk ik ook haar meest royale, waarin ze de lezer emoties gunt die dankzij de gedichten onder woorden kunnen komen.

Jan de Jong

Emma Crebolder – Uitlichten. Nieuw Amsterdam, Amsterdam. 64 blz. € 21,99.

3