En zo kwam alles samen…

De spronglaag, de nieuwe bundel van Esther Jansma, heeft als motto een citaat uit The Left Hand of Darkness van Ursula K. Le Guin: ‘I talk about the gods; I’m an atheist. But I’m an artist too and therefore a liar. Distrust everything I say. I am telling the truth.’ Dat mag in een tijd van nepnieuws en alternatieve waarheden met recht een hoopvol begin heten. De kunstenaar liegt en is onbetrouwbaar, maar vertelt wel de waarheid. Het is een uitgangspunt waar een beetje poëzielezer van smult, van gedichten met hun multi-interpretabele metaforen. Het motto van Le Guin nodigt de lezer uit om extra alert te zijn.

De spronglaag is niet alleen maar een dichtbundel. Als een rode draad vlecht zich tussen de gedichten door het pijnlijke prozaverhaal van de dochter van ‘Bloody Lilly’, een wrede piratenkapitein die haar kroost, haar ‘matroosjes’, genadeloos tuchtigt. In het begin lijken de gedichten en de verhaaltjes nog tamelijk onafhankelijk langs elkaar heen te leven, maar geleidelijk aan worden de onderlinge verhoudingen wat meer duidelijk. Dat komt in de eerste plaats door een aantal letterlijke verwijzingen. Zo staan in de prozatekst ‘Voor altijd koud’ drie regels uit het erop volgende gedicht:

Het wit in het midden

Het licht dat naar de randen
naar een hand die er niet is
en het vermoeden van planten
en afstand wijst, en het wit

in het midden, de lichtende
komma van een armpje
het kraakverse ei van een hoofd –
ik heb het en ik wil het zo.

Niets sta ik af, het donker niet
de verte niet en niet de roerloosheid
voordat alles begon met bewegen,
voorbijgaan, ook het voorbijgaan niet.

Die prozatekst ging over de overleden kleindochter van Lilly, en dus de baby van de ik-figuur. Die heeft op dat moment (we zitten tegen het eind van de bundel) al weinig contact meer met Lilly, die dan ook allang geen piratenkapitein meer is. Ze presenteert zich als beeldhouwer die het dode kind heeft geobserveerd om er een kunstwerk van te maken.

De verhalen, die begonnen op een krakkemikkig piratenschip, worden langzamerhand ontmaskerd als de leugen waar Ursula K. Le Guin het over had. We moeten ze dus lezen als metaforen. Maar voor wat? Een groot gezin waarin de moeder haar kinderen tiranniseert? En over hoeveel kinderen (‘matroosjes’) voert Lilly haar strenge bewind? ‘Wantrouw alles, ik vertel de waarheid’ weten we nog uit het motto.

In ‘Lijfstraf en denkmoord’ lezen we ‘Ik ben de anderen en ik’, wat alleen maar een merkwaardige vaststelling is, als we de verbeelding van de ik-figuur buiten beschouwing laten. Wellicht zijn er helemaal geen matroosjes en heeft de ik-figuur als kind een hele fantasiewereld om zich heen opgetrokken? Het is een gegeven dat al eerder in werk van Jansma langskwam. Er zijn passages die de lezer rechtstreeks naar dat oudere werk lijken te sturen, zoals

De ander wauwelde: ‘Stel je voor dat we niet op een schip wonen maar op een wenteltrap, welke kant moeten we dan op, en trouwens, hoe komen we daar aan eten, een wenteltrap heeft geen kombuis en er zijn geen winkels of zo’.
Dan zaten we opeens in het vuur van onze nachtmerries te staren en brak de zoveelste ruzie uit.

Alweer 25 jaar geleden verscheen van Esther Jansma de kleine roman Picknick op de wenteltrap. Om de wereld aan te kunnen verdeelt een meisje zich in dat boek in een aantal persoonlijkheden: de zorgelijke ‘Oud’, de twijfelende ‘Romanticus’ en het rationele ‘Hoofd’. Die lijken wel heel erg op de matroosjes die er in hun fantasie stilletjes op uit trekken als Lilly ’s morgens nog slaapt.

Liggen we allemaal gezellig op elkaar gepropt
in de slaapruimte van een gehuurd omhulsel
omwille van een toekomst team te builden
steekt er een storm op.
[…]
Zijn we nu vergaan, fluistert een van ons.
Houd je kop idioot, zegt een ander,
dit is een golf die nog komt,
het gevaar trekt zich ergens verderop samen
tot een grommende massa
die straks torenhoog over ons heen slaat,
[…]
er is nog tijd om te denken
in de goede woordvolgorde: we leven gewoon
of dit is hoe een schip zinkt, zo gaat een einde dus.

In Picknick op de wenteltrap probeert het meisje met die gecompliceerde persoonlijkheid de scheiding van haar ouders te begrijpen. Nu, 25 jaar later, snapt de lezer waarom Bloody Lilly er bij de opvoeding van haar matroosjes alleen op voor staat.
En ook het dode kleinkind van Lilly figureerde prominent in eerder werk van Jansma, in de bundel Bloem, steen uit 1990 met het wonderschone openingsgedicht

Ik hul haar in weefsels van woorden,
ik wil dat ze ademt van taal,
ik schrijf iedereen aan; ik wil
geen klank onaangeraakt door haar.

Ik wil haar overal horen, ik wil
dat ze spelregels breekt en steeds
opnieuw en anders wordt geboren.
Ik wil duizend levens voor haar.

En ze mag in duizend mensen
spelen dat ze doodgaat.

Ik ga hier nu (te?) snel voorbij aan het onmiskenbaar autobiografische gehalte van Bloem, steen en Picknick op de wenteltrap (en dus ook van De spronglaag), want ik wil toch weer terug naar die kunstenaar uit het motto die de waarheid liegt. Een goed gedicht verwoordt immers niet alleen de gedachten en gevoelens van de dichter. In De spronglaag komt daarom niet alleen het vroegere werk van Esther Jansma samen, maar ook de thematiek uit ieders leven. Niet letterlijk natuurlijk, maar ieder kind kent wel een ‘onzichtbare vriend’ om mee te praten – en misschien menig volwassene ook nog wel. Dat kan in zijn verbeelding zijn, maar bijvoorbeeld ook in een dagboek. En iedereen heeft wel een ouder, of leraar, of (ik noem maar wat) turntrainer die aan een meedogenloze piratenkapitein doet denken. In het gedicht ‘Ook dit kan gebeuren’ lijkt een schrijfster de hele metafoor van die zeeroversdochter weg te geven in een interview. Ze vertelt er gedetailleerd over, tot aan die ene rechtstreekse vraag aan het eind:

Vraag: ‘Kende u de kapitein dan zelf ook?’
Antwoord: ‘Wat bedoelt u?’

Waarmee deze schrijver de bundel overgeeft aan de lezer, die hem als referentiepunt voor zijn eigen leven kan gebruiken, desnoods hier en daar een beetje geretoucheerd. Niet voor niets heeft een van de prozateksten in de bundel de uitnodigende titel ‘Dan schilderen we de werkelijkheid toch gewoon even over, joh?’

Jan de Jong

Esther Jansma – De spronglaag. Prometheus, Amsterdam. 72 blz. €20,00

Deze recensie stond eerder in Levende Talen Magazine 2022-6

Eerder verscheen op Tzum deze recensie van De spronglaag

1