Als een heideveld in een nacht vol gloeivliegjes

In het kader van ‘Ongekend Nijmegen’ is er een eerste versie verschenen van ‘Het Gelders Geschiedenisgeschenk’ en wel over de geschiedenis van de kip: De eerste kip van Nederland, door Joost Oomen en geïllustreerd door Yoko Heiligers. Het boekje is eenvoudig, maar fraai uitgegeven in een klein formaat, zodat het als cadeautje ook nog goed in een gewone envelop te versturen is. Joost Oomen heeft zich laten inspireren door de collecties van De Bastei en Museum Het Valkhof in Nijmegen. De charme van dit kleine werk zit, behalve in de vrolijke afbeeldingen, vooral in Oomens teksten waarvan het plezier in taal en de liefde voor het gewone af spatten.

De maan is vannacht zo groot als een pruim. Ik kan de contouren van bomen in de verte zien, maar de kleuren van de zomerbloemen rond de hoeven van mijn paard blijven grijs. Er ligt iets op de oever en ik weet niet wat het is. Het lijkt op een enorme kluwen van uit elkaar getrokken lisdodde, rietsigaren, losjes samengepakt tot een kleverige bal van nat dons.

Zo beschrijft Oomen de eerste kennismaking met de kip, vanuit de ogen van de verteller die zich op de rechteroever van de rivier bevindt en nog nooit eerder een kip heeft gezien. Terwijl een afbeelding inzoomt op het rode kopje van de kip in een enorm zwart verenkleed met stipjes, komt er ook vanuit de verteller een uitgebreide beschrijving van het uiterlijk van de kip. Hoewel de kip in Nederland toch wel tot de gewoonste boerderijdieren behoort, die je door de vanzelfsprekendheid bijna over het hoofd zou zien, bekijk je nu dit beestje alsof je het inderdaad voor het eerst ziet. Het verenkleed wordt beschreven als een heideveld in een nacht vol gloeivliegjes en het kopje als volgeplakt met rozenblad of aardbeischil. De verteller vindt de kip er eng en smerig, maar ergens ook een beetje mooi uitzien. Er zit voor hem niets anders op dan te gaan zorgen voor deze ‘Stipvogel’.

Ondertussen is de vertelster aan de linkeroever haar ‘stipkip’ kwijt. Ze heeft wel duizend namen voor haar, zoals Waterspikkel, Vuurvliegnacht, Sneeuwtarwe, Vlammetjesgerst en Lichtjasje. Die ochtend kan ze haar kip echter niet noemen, want ze is verdwenen. Terwijl haar man haar probeert te troosten door erop te wijzen dat ze toch nog drie kippen over heeft, een zwarte, bruine en witte, is zij heel erg verdrietig, omdat haar stipkip verdwenen is.

Zo wordt de lezer heen en weer geslingerd tussen de rechter- en linkeroever van de rivier. Aan de rechteroever twijfelen de mensen of er sprake is van een goddelijke vogel die met een offergebed aanbeden moet worden, of juist van een kwade geest die ellende over het dorp zal brengen. Vol ironie beschrijft Oomen hoe de ene de kip wil offeren aan de heilige boom, de ander aan de sterren en weer een ander aan de maan. Aan de linkeroever wordt er alles aan gedaan om de kip weer terug te vinden.

Het is duidelijk dat het bij dit eerste geschiedenisgeschenk niet gaat om een historisch onderzoek naar het moment dat daadwerkelijk de eerste kip in Nederland kwam, met allerlei feitelijkheden, maar om een heerlijke, ironische en aandoenlijke verbeelding van hoe de eerste kip in Nederland terechtgekomen zou kunnen zijn. De liefde voor dit oer-Hollandse beest is al vanaf de eerste bladzijde duidelijk. Bij Oomen is het vatten in taal misschien zelfs een vorm van liefhebben.

Dietske Geerlings

Joost Oomen en Yoko Heiligers – De eerste kip van Nederland. Loopvis, Arnhem. 32 blz. € 5,00

0