Op zoek naar Calliope

De kluizenaar en zijn muze (Privé-domein 93) bevat een keuze uit de brieven die Gustave Flaubert tussen 1846 en 1855 aan zijn muze Louise Colet schreef. De brieven van Louise zijn jammer genoeg verloren gegaan.

Zij hebben elkaar ontmoet in Parijs in het atelier van de beeldhouwer James Pradier, die toen een borstbeeld van de schone pijpgekrulde Louise onder handen had.

Flaubert werd geboren in Rouen en heeft zich na een mislukte rechtenstudie als schrijver gevestigd te Croisset, een dorp niet ver verwijderd van de Seine aldaar. Hij is het voorbeeld van een kunstzinnige kluizenaar voor wie niets belangrijker is dan zijn metier. Hij was daarin extreem kritisch op zichzelf en kon een hele dag noest zoeken naar de zuiverste formulering voor één enkele passage. Deze gedrevenheid komt niet tot uiting in zijn brieven, die nogal eens slordig in elkaar steken en eerder getuigen van uitbundige emotie dan van literair vakmanschap, wat overigens in een persoonlijke brief allerminst misstaat en er zelfs een extra overtuiging aan kan verlenen.

                                                                *

Volgens Flaubert wordt de waarde van een literair werk gekenmerkt door de stijl waarin het geschreven is. De handeling is daar ondergeschikt aan en ontleent haar geloofwaardigheid louter aan het letterkundig meesterschap van de auteur. In de stijl vloeien vorm en inhoud symbiotisch in elkaar over.
        Hierop valt misschien af te dingen, maar waarop niet?
        Alleen de Natuurwetten zijn onverbrekelijk geldig en van iedere kritiek of aanpassing gevrijwaard.

                                                                *

De compositie van een roman was voor Flaubert een wurgende uitdaging, die niet zelden leidde tot melancholie en depressiviteit. Aan zijn magnum opus Madame Bovary heeft hij zes jaar gewerkt. (Eduard Douwes Dekker schreef de Max Havelaar in drie maanden, waarmee geen oordeel is uitgesproken over de kwaliteit van de respectievelijke werken, slechts de bezetenheid van beide auteurs is hier manifest.)

Dat Flaubert als kluizenaar in Croisset altijd hardnekkig is blijven streven naar de volmaakte stilistische vorm in zijn werk, tot aan zijn dood in 1880 toe (hij is slechts 59 geworden), heeft altijd mijn respect afgedwongen en mij tot voorbeeld gediend. Met die voorwaarde als eis hoort een schrijverschap zich te voltrekken.
        Elk woord een steen.

                                                                *

Intrigerend is in hoeverre de correspondentie met Louise Colet Gustave Flaubert in zijn werk heeft gestimuleerd. Vermoedelijk in hoge mate. Een ware Muze vervult die rol, hetzij epistolair, hetzij zo nu en dan middels een lichamelijke confrontatie. Flaubert ‘wentelde zich graag op Louise’, om zijn eigen woorden te gebruiken, hetzij in haar appartement te Parijs, hetzij bij hem thuis in Croisset, waarbij hij het liefst op de grond liggend met haar versmolt. Een mens zijn lust is een mens zijn vloer.

Calliope, de Muze van de epische poëzie, de literatuur en de retoriek uit de Griekse mythologie was in dit opzicht onbereikbaar, evenals haar acht gildezusters, zoals die de muziek, de dans, de kunst in het algemeen en de wetenschap behoedden. Maar de negen Griekse Muzen, allen dochters van de oppergod Zeus, waren afstandelijke Godinnen, die zich in den vleze niet aan stervelingen vertoonden.

                                                                *

Ik schreef de navolgende brief, na veel wikken en wegen, aan de literaire gestalte van Gustave Flaubert:

Geachte heer Flaubert,

Enigszins beschroomd laat ik u hierbij weten dat ik op dit moment in de tijd bijna 20 jaar ouder ben dan uw levenslot aan u heeft toegestaan. Was het een hersenbloeding of een finale epileptische aanval? Ik moet het ergens gelezen hebben, maar weet niet meer waar. En de nieuwerwetse ‘zoekmachine’ Google weet het evenmin.

Ik ben inmiddels ook kluizenaar geworden, door het ‘weglopen’ van mijn vriendin sedert veertien jaar. Een goede vrouw, ooit, met wie ik veel moois heb beleefd tijdens reisjes door Europa en met ons zeiljacht Argos (driemaal Engeland gedaan), maar die uiteindelijk toch verdwenen is in de mist der mensen.
        Gezondheid en geluk heb ik haar gewenst, want wat kun je bij een scheiding beter doen dan stijl bewaren? Stijl, ook hier.

                                                                *

Maar, geachte heer Flaubert, ik moet u bekennen dat het alleen-zijn, ‘in mijn geval’, soms nogal danig tegenvalt. Ik woon hier wel goed aan het Spaarne, maar er groeien geen bomen en er zingen geen vogels en de stilte wordt slechts doorbroken als er weer een politieauto de kazerne Koudenhorn aan de overzijde van het water met loeiende sirene verlaat. Alleen J.S. Bach, de Shakespeare van de muziek, zoals u weet, brengt dan nog uitkomst. Porno en wijn liggen op de loer.

                                                                *

Waaraan ik nu sterk behoefte heb, Gustave, (ik ben maar zo vrij) is om mijn eigen Muze, mijn eigen Louise Colet, te ontmoeten en middels haar mijn creativiteit te hervinden, die na het verraad van eertijds mijn levensgezel en kameraad ernstig stagneert.

In de Griekse godenwereld heet zij Calliope. In haar aardse verschijning heeft zij vanzelfsprekend een andere naam, maar hoe zij heet is mij nog onbekend, evenals waar zij zich bevindt.

Ze hoeft niet per se lief te zijn, dat was Louise Colet zeker ook niet, maar ze moet wel een warme vrouw zijn en sjoege hebben van literatuur en daarover graag met mij willen corresponderen. En wie weet levert dat ooit nog eens iets waardevols op. Een brievenbundel, bijvoorbeeld. De vloer is hier van eikenhout, dus dat zal wel even wennen zijn.

Ik sluit nu af, geachte Gustave, met een collegiale groet, over tijd en ruimte heen.

L.H. Wiener

Stadsschrijver van Haarlem
(Voor het leven benoemd door het drukkersgilde de Hof van Jan).

**
[Adresgegevens en email bij de redactie bekend]