Recensie: Cees Nooteboom – Philip en de anderen
In het nachtlicht bloeiende rotsen
In 1955 werd nog moeite aan een recensie besteed! Nadat Jan Greshoff Philip en de anderen van Cees Nooteboom had gelezen, schreef hij deze loftuiting:
Toen ik het boek ingespannen las, had ik na het einde een gevoel van duizeligheid dat wij kennen als wij, uit een diepe slaap plotseling gewekt instinctief weigeren terug te keren naar de schijn van hier en heden. Nooteboom is bij machte, wat slechts enkele gezegenden is toegestaan, aan de fantasie de onherroepelijke nauwkeurigheid van een kopergravure te geven.
Ben Stroman was ook erg opgetogen over de roman en even bloemrijk als Greshoff. Volgens hem was Nooteboom een schrijver die ‘oude romantische attributen aandurft om een hedendaags levensgevoel te redden voor de miezerige druilregen of de kwasi-flinke, maar vaak infantiele brutaliseermode, die rondmokt in onze jongste literatuur.’
Philip en de anderen vormt inderdaad een sterk contrast met ander naoorlogs literair werk van bijvoorbeeld Gerard van het Reve of Harry Mulisch. Het boek is zacht, dromerig, bijna sprookjesachtig en behoorlijk absurd. Van negatieve emoties is vrijwel nooit sprake. Het regent wel vaak in het boek maar dat vindt Philip geen bezwaar. Hoe men ooit zo over dit boek in vuur en vlam kon raken blijft een raadsel. Hoewel het enkele mooie passages bevat is het verhaal zo vaag en raadselachtig, dat het bijna lachwekkend is. De schrijver zelf heeft zich al jaren geleden van het boek gedistantieerd, ook al heeft hij herdrukken niet tegen gehouden.
De structuur van de roman is heel losjes en elke context ontbreekt. De hoofdpersoon reist al liftend door Europa, maar wat zijn achtergrond is, wat zijn ouders van hem vinden, waarom hij als jongen van tien al alleen bij zijn excentrieke oom Antonin Alexander gaat logeren zijn allemaal vragen die onbeantwoord blijven. Philip is waarschijnlijk op zoek naar de zin van het leven, maar dat is wellicht een te voor de hand liggende conclusie. Op zijn reizen ontmoet hij mensen (de ‘anderen’ uit de titel), die hem hun levensverhalen vertellen, waar Philip dan geduldig naar luistert. Veel interactie is er niet. Sterker nog, Philip heeft helemaal geen mening, hij laat het zich allemaal maar wat aanleunen. Vaak zijn het een soort droomverhalen, met onwaarschijnlijke gebeurtenissen. Zo raakt Philip op enig moment in de ban van een Chinees meisje simpelweg omdat iemand hem over haar vertelt. Later, in Calais, meent hij haar een paar minuten te zien voor ze weer verdwijnt. Vervolgens probeert hij haar terug te vinden, wat hem nog lukt ook als hij in Krusaa de grens naar Denemarken oversteekt. Ze reizen een tijdje samen door het Noorden van Europa tot dat zij hem weer verlaat en Philip terugkeert naar zijn oom in Nederland.
Wie zich eenmaal overgegeven heeft aan de losse vorm van het boek en zich geen vragen meer stelt over de logica van het verhaal kan nog best enig plezier aan het boek beleven. Zo danst Philip in Arles met een meisje en wordt dan later door een oudere man, die zich Maventer noemt, naar een hotel gebracht, dat Chez Sylvestre heet. Daar moet hij blijven tot de man hem weer ophaalt. Dit geeft Nooteboom de gelegenheid een mooie schets te geven van het verblijf van Philip in een Provençaals dorp.
Toen ik wakker werd, was het laat in de middag – iemand had brood en wat wijn naast mij neergezet overdekt met een servet – en toen ik buiten keek, begreep ik pas goed, waarom de huizen hier soms gebouwd zijn als vestingen. De hitte wordt hier tegen de avond ondragelijk en groots van onbarmhartigheid, zodat de mensen en de dieren de halfdonkere en donkere plaatsen van de huizen opzoeken en daar wachten tot de avond valt.
Maventer vertelt hem een paar dagen later over het raadselachtige Chinese meisje, dat zichzelf op wilde tellen en daarom bij een bank vroeg of ze een telmachine mocht lenen. Maventer is opgelucht dat Philip nu zijn rol als aanbidder van het meisje kan overnemen. ‘En nu ben jij gekomen om mij het verhaal te laten vertellen. Het is verteld, en nu kan ik oud gaan worden.’
Een tijdje later reist Philip (via Calais) naar Luxemburg waar hij samen met het meisje Fey in een ruïne logeert. Hier vertelt Heinz (één van de andere reizigers) hem zijn geschiedenis. Vanwege zijn epilepsie kon Heinz niet tot priester gewijd worden. ‘Jij bent ziek,’ hadden ze tegen hem gezegd, ‘het is niet mogelijk priesters te wijden, die niet valide zijn. God heeft je dus blijkbaar voor de wereld voorbestemd.’ Behalve Heinz tref hij in die Luxemburgse ruïne ook een jongen die zich Sargon noemt (naar een Assyrische vorst). Sargon is gefascineerd door eens stem die op de radio het nieuws voorleest. Dit verhaal gaat op onnavolgbare wijze over in de geschiedenis van Mary Jane, die in een winkel een opgezette Paradijsvogel koopt met de naam Janet. Met Janet loopt het slecht af.
De kop brak er af en rolde naar de uitgestulpte afschuwelijke ingewanden van vergaan en stinkend hooi. Doder dan ooit staken de macabere, harde poten op het plankje in de lucht tussen het stof dat opvloog als bij een miniatuur bominslag.
Meerdere recensenten noemden de roman ‘door en door Frans’ en vergeleken het met het door en door romantische Le Grand Meaulnes van Alain-Fournier, een boek dat Nooteboom zonder twijfel gelezen had. Uit sommige passages blijkt al dat Nooteboom een beroemd schrijver zou worden, maar nogal wat stukken in Philip en de anderen zijn topzwaar.
Hij had een oude auto en die nacht reden wij door een dood en onheilspellend land. Koninklijk groeide de maan aan de uitgedoofde roodachtige grond. Nevels en mist liepen door de valleien, omringden ons als een gevaar, dat wij telkens weer ontstegen tussen hard en scherp struikgewas, dat als een kudde sinds lang gestorven dieren de hellingen beklom naar de grillige, in het nachtlicht bloeiende rotsen.
Overigens waren er ook in 1955 al tegengeluiden. Annie Romein was van mening dat Nooteboom wel kon schrijven, maar ‘niet verbluffend oorspronkelijk’ was. Haar grootste bewaar was wel dat de schrijver ‘geen halve meter afstand tot zijn materiaal’ had gehouden en ‘dat dat materiaal hoezeer hij het ook in allerlei barokke fantasterijen heeft pogen te verpakken, zo schamel is. Met iets van plaatsvervangende schaamte kan de lezer zijn karige levenservaring vrij precies besommen: welke liftreisjes hij gemaakt heeft, wat hij gelezen heeft en vooral welke avonturen met meisjes hij beleefd heeft.’
Doeke Sijens
Cees Nooteboom – Philip en de anderen. Amsterdam, Querido, vijfde druk, 1965 (Salamander). Eerste druk: 1955. De tiende druk van de roman verscheen in 2009 bij De Bezige Bij en is alleen nog antiquarisch te koop. Ook als e-book.
Deze recensie is de vierde in een serie over boeken die in 1955, dus zeventig jaar geleden, zijn verschenen.
(foto boven: Dichters in Carre, 1966, Cees Nooteboom tijdens voordracht, Nijs, Jac. de / Anefo / Nationaal Archief, CC0)

