Recensie: Iraida Martha Ooft – Toen de val
De taal van de natuur
Zoals wel vaker vertrok op 6 juni 1989 de twintig jaar oude DC9 Anthony Nesty van SLM uren te laat van Schiphol in de richting van Paramaribo. Daar aangekomen hing er een dichte grondmist over Zanderij, het vliegveld dat door Amerikaanse bemoeienis in de Tweede Wereldoorlog was uitgebreid, waardoor inheemsen moesten verhuizen. De bemanning, ook op leeftijd, captain Will Rogers had gesjoemeld, was in feite zesenzestig, besloot de landing door te zetten, ondanks het niet goed werkende Instrument Landing System.
De naderingshoek bleek verkeerd, de aanvlieghoogte te laag. Het vliegtuig raakte in de vroege uren van 7 juni de bomen en stortte een paar kilometer voor de landingsbaan neer. In de roman Toen de val van Iraida Martha Ooft speelt een machtige tonkaboom een grote rol, als ‘schuldige’, als bieder van troost, als symbool juist voor onschuld en van leven. Nabestaanden, autoriteiten, kunnen de boom omzagen, om ergens hun verdriet, hun woede op te koelen, maar een volgende generatie zal weer opstaan, een peul als houder van het leven. ‘Wortelen. Voorzetten. Dat is de opdracht. Een drang ouder dan de eeuwigheid roert zich in de kern.’
Ooft hanteert het multi-perspectief. Dat is doorgaans gewaagd. Het vergt flexibiliteit van lezers, een goed vogelperspectief van schrijver en redacteur. In het geval van Toen de val is het geslaagd, was het duidelijk noodzakelijk. Een dergelijke ramp heeft nu eenmaal ontelbaar veel invalshoeken, veel gezichten. De gehanteerde vorm zorgt voor gelaagdheid, er zijn vele verbindende lijnen. In feite is de rampplek in Toen de val ook een personage, een entiteit.
Ooft laat nabestaanden aan het woord, geeft de captain ook de kans om zijn verhaal te doen. Een witte Amerikaan, ex-straaljagerpiloot met slaapproblemen, met een prille verbintenis met een Surinaamse vrouw, zwanger van hem, terwijl hij thuis vrouw en kinderen heeft. Het schrijven van een brief aan het thuisfront is een van de vele spanningsbogen die de tekst in het algemeen gaande houdt.
Via de nabestaanden schetst Ooft de precaire situatie in het Suriname van die dagen, de interne strijd, de armoede, het gebrek aan alles, hun vaak complexe verhoudingen met partners, familie, met hun geboortegrond. Personage Carlos, die vrouw en dochter in Suriname achterliet, naar Nederland ging en daar een nieuw gezin stichtte, had net weer contact gehad met zijn inmiddels volwassen dochter. Ze was hem in Nederland komen opzoeken. Met pijn in zijn hart bracht hij haar naar Schiphol op 6 juni, met de belofte dat ze elkaar snel weer zullen zien. De start van een nieuw gemeenschappelijk leven, waar wreed een einde aan kwam, maar dat hem terugbracht naar zijn geboorteland Suriname, maar zijn wortelen, naar de plek waar hij thuishoort.
De jongen Teddy, naar Nederland vertrokken, heeft vanwege zijn geaardheid een moeizame verhouding met vooral zijn vader. In Nederland heeft hij eindelijk een echt verwante ziel gevonden, die het liefst geen afscheid van hem wil nemen, maar hij moet voor zijn gevoel nog eenmaal terug om zich daarna voorgoed te settelen. De vader van Teddy blijkt hem alleen te hebben willen behoeden voor het gevaar van het ‘anders-zijn’, voor het leven van hemzelf. Toen de val zit vol met dit soort diep-menselijke episodes.
Toen de val bezit natuurkracht. Ooft laat slachtoffers aan het woord, laat ze letterlijk en figuurlijk één worden met de grond, met de natuur. De wisselwerking tussen leven, dood en leven na de dood is bijna overweldigend. Hoe overleef je het overleven. Ooft weet het zinnelijk te beschrijven, met veel gevoel voor traditie, voor historie, voor de wortelen van de natie. Het maakt Toen de val mystiek en aards tegelijk.
Amerikaanse militairen die ‘Godspeed’ hun best denken te moeten doen om de oorspronkelijke bewoners weg te moeten krijgen uit het bosgebied waar de uitbreiding van ‘Zandy’ moest komen, de ideale aanvliegroute voor Noord-Afrika, cruciaal om Hitler te kunnen verslaan. Het moest een ‘geweldloze actie’ worden richting de inheemsen.
Kisten met sterkedrank, met cola, een baal katoen. En de nadruk van gevaar, van vertrekken ‘voor hun eigen veiligheid’. Maar de inheemsen weten bij monde van hun pyjai, hun ‘medicijnman’, al lang wat er in de toekomst gaat gebeuren: een grote vogel die het gebied zal bezoedelen. Ze gaan uit zichzelf al lopen.
De Amerikanen, door de consumptiemaatschappij ver van de aarde, van de natuurwijsheden afgegleden, wuiven verhalen over bosgeesten weg, noemen het ‘bijgeloof’, mumbo jumbo. Mooi is in dat kader de beschrijving van een jonge Amerikaanse soldaat die op een verkeerde plek tegen een boom urineerde en daarna ‘verdwaald raakt in de geestenwereld’. Maar hulp van een lokale medicijnman wordt zelfs niet overwogen.
Je zou de ramp, waarbij een groot gedeelte van het Kleurrijk elftal en hun supportband de Draver Boys omkwam – Ruud Gullit en Frank Rijkaard mochten niet mee van hun club – een menselijke fout kunnen noemen. Iets dat wel breder moet worden getrokken dan de piloten, ook al was de captain te oud, niet bevoegd om een DC8 te vliegen, gebruikte de copiloot een alias, was een Vietnamveteraan feitelijk zonder brevet. De SLM wilde de status van een internationale carrier hooghouden, keek niet zo nauw naar de kwalificaties. De faciliteiten op Zanderij (Johan Adolf Pengel International Airport) waren toentertijd niet bepaald up-to-date.
Ooft stelt de ramp in een caleidoscopisch perspectief, laat zien wat een roman allemaal vermag. Toen de val is een boek barstens vol leven.
Guus Bauer
Iraida Martha Ooft –Toen de val. Van Oorschot, Amsterdam. 272 blz. € 23,50.

Het was geen DC9, maar een DC8