Recensie: Bart Plouvier – Landverloren
De onderstaande recensie komt uit 2005.
Laconieke romantiek
De Vlaamse schrijver Bart Plouvier heeft in Landverloren, een bundel reisverhalen, aan een paar woorden genoeg om landschappen en steden trefzeker neer te zetten. Neem bijvoorbeeld deze beschrijving uit zijn verslag van een boottocht door Friesland:
De Friese ochtend is uit frêle, blauw glas geblazen en waar de glastang afgeknepen werd, bleekt de zon als een doorgesneden aardappel.
Hier houdt hij van: rake en bloemrijke schetsen van een ochtend of een avond ergens op of bij het water:
Net de trossen los, komt een tjalk ons tegemoet gevaren, zijn zwaarden als vleugels tegen zijn zij gedrukt, zijn groot bruin, langsgetuigd zeil gevuld met de wind van vervlogen dagen, de helmstok stevig in de wortelhouten handen van de schipper.
Plouvier blaast zijn zinnen leven in, hij wil de wereld van het water niet doodslaan onder koele feitelijke beschrijvingen, maar haar voorzien van een extra glans.
Natuurlijk weet hij heel goed dat deze wereld bezig is uit te sterven en dat hij moet uitkijken niet te blijven steken in een al te gemakkelijke nostalgie waar de lezer verschrikkelijk van moet gapen. Gelukkig mengt hij daarom de nodige humor in zijn verhalen. Wanneer hij in Woudsend wat rondkuiert en een stelletje skeelers ziet voorbij bij trekken in een pak ‘dat om hun lijf spant als een leguanenhuid’, herinnert hij zich dat in deze gebieden mensen tijdens strenge winters de kolder in hun kop krijgen ‘Als wij van kou welhaast verrekken,’ schrijft hij verlekkerd, ‘blijkt Friesland dicht bevolkt met gekken.’ En zo is het maar net.
Een echte romanticus die Plouvier, zie bijvoorbeeld ook zijn voortreffelijke roman Het gemis (1999). Zijn hart ligt op het water en bij de dichter Slauerhoff die hij steeds met instemming citeert. Vroeger heeft hij een jaar of wat gevaren en hij kan het niet laten daar voortdurend op terug te komen, gelukkig zonder dat het te erg wordt en wij vergast worden op al te uitbundig zeematrozenproza.
De burgerwereld van nette mensen in burgermanshuizen met om zes uur het eten op tafel, waar ik graag voor teken, die kan hem mooi gestolen worden, dat wel, en dus vereenzelvigt hij zich graag met de ruwe bolsters op deze wereld. En overheerst de melancholie in dit laconieke proza. Het maakt niet uit of hij een boottocht maakt door Friesland, een reis naar Tenerife of met vakantie is aan de Belgische kust of bij Cap Griz Nez vlak bij Calais. En natuurlijk ergert hij zich aan de oprukkende toeristenindustrie en de teloorgang van het waardevolle.
Bij andere schrijvers zou het me uiteindelijk wel wat de keel gaan uithangen, al die zeemansfolkore en dat verlangen naar verre havens en naar schoonheid en geluk. Maar Plouvier slaagt erin steeds zoveel zelfspot zijn proza binnen te schrijven dat het goed te pruimen blijft.
Er staan niet alleen reisverslagen in deze bundel, ook een paar verhalen. Over een stel Antwerpenaren bijvoorbeeld die al jaren vast zitten op een scheepswrak in de haven van een Kaapverdisch eiland. En in ‘Aan boord van de ss Venezuela’ brengt hij een ingehouden, bijna schoorvoetend eerbetoon aan zijn grote voorbeeld Slauerhoff. Ik heb zin in een nieuwe roman van deze weerbarstige en bevlogen schrijver.
Kees ’t Hart
Deze recensie verscheen voor het eerst in de Leeuwarder Courant op 7 januari 2005.
