Snel weer terug naar beneden, Peter

Het was een normale dag en ik zat op een normale bank, namelijk: die bij mij thuis. Mijn handen openden het boekje en ik las: ‘Dit Boekenweekgeschenk krijg je cadeau van je boekverkoper’. Ik dacht: wat aardig eigenlijk.

Ik begon aan het verhaal en had niet door dat de lucht achter mijn raam betrok.

Ik moest gniffelen om de zin: ‘“Ik moet mezelf een schop onder mijn twijfelkontje geven,” mompelde ze.’ Helaas kon ik niet meer weten waarom ik er om lachte. Ik wist namelijk dat dit de gewraakte zin was waar werkelijk iedereen over viel in recensies. Gniffelde ik omdat ik de zin herkende of omdat ik hem daadwerkelijk wel iets tragikomisch vond hebben? Het lukte mij niet mijn beweegredenen te achterhalen en ik las verder.

Intussen kregen de opeengepakte wolken een vreemde groene gloed.

Dat zag ik niet, want ik las hoe Anton van de ene op de andere dag zijn werk verloor. Enigszins opmerkelijk: iemand die niet weet dat zijn werkgever failliet is en op een ochtend plots voor een winkelpand staat dat met een hangslot is afgesloten. Daar ben je dan twintig jaar filiaalmanager voor geweest, om niet ingelicht te worden. Is het zó’n boek, dacht ik, waarin de schrijver met complicaties afrekent door ze simpelweg niet als complicaties te zien. Anton moest werkloos worden, dus werd hij dat.

Later hoorde ik van de nog levende buren dat het zo hard begon te hagelen dat de stenen krassen maakten op de ramen. En die regen, zeiden ze, die regen.

Gelukkig had ik Lidy niet als buurvrouw: zelf ongelukkig zijn, maar er niet aan willen toegeven en je daarom steeds op anderen richten. Hoe dan ook brengt ze Anton en Marieke wel bij elkaar, door vijftig jaar te worden en hen uit te nodigen op het feest. Anton en Marieke zijn ongemakkelijk en slaan aan het drinken, voor ze het doorhebben maken ze een afspraak om met een Piaggio van Italië naar Nederland te reizen. Normaliter kan je de volgende ochtend de schade van je beschonken daden nog enigszins herstellen, maar niet als Lidy je buurvrouw is. Marieke moet wel met Anton mee. Ergens wil ze dat ook; ze is gewoon erg onervaren op het gebied van reizen, zit vast in haar routine en dat houdt een mens tegen. Het was Peter de Smet zowaar gelukt me in een mild humeur te stemmen tegenover de ‘avonturen’ van Marieke en Anton. Ze lijken beiden niet echt gelukkig of van plan dat te worden, maar al dan niet omdat ze er zich nu eenmaal in vastgeluld hebben gaan ze toch maar mooi op reis. Ik gunde het hen, deerniswekkende figuren.

Als ik niet met opgetrokken benen had zitten lezen, dan had ik het water gevoeld dat onder de deur door de kamer binnen stroomde.

Anton kent alleen ‘pasta pesto’ en ‘mamma mia’ als Marieke hem vraagt of hij een beetje Italiaans kan. Dat antwoord is een groot cliché en waarschijnlijk al door miljoenen Nederlanders gegeven. De Franse variant is ‘croissant’ en ‘bonjour’. Anton is echt heel gewoon. Blijkbaar is dat wat Peter de Smet wil beschrijven: twee heel gewone mensen. Niet omdat hij nu eenmaal niet anders kan (denk ik), maar omdat dat de personen zijn die hem als schrijver het meeste interesseren. Ik merkte dat ik het verfrissend vond om eens over dit soort degelijke mensen te lezen, die in realistisch gebabbel met elkaar converseren.

Verrijkt literatuur? Ja. Maar is het verrijkend als je alleen maar literatuur leest? Nee, moet ik al tijdens het lezen van dit boekje concluderen, want dit soort mensen komen in alle romans die ik lees zelden tot niet voor. Ik lees eigenlijk alleen maar over wandelende trauma’s of extravagante figuren. Ook belangrijk, zéker. Maar voor de gemiddelde mens zou er net zo goed een plek mogen zijn. De gewone mens is echter door rechts gekaapt en door links tot een fascistisch symbool gemaakt, waardoor het althans in mijn kringen altijd maar een kleine stap is van gewoon doen naar boekverbrandingen en het verhangen van kunstenaars. Krijgt Peter de Smet er daarom zo van langs in sommige literaire kritieken? Omdat men een unheimlich gevoel bij zijn aanstelling krijgt? Jamal Ouariachi heeft de vergelijking met ‘Anton’ Mussert alvast getrokken.

Ik klapte monter het boekje dicht terwijl de bank werd opgetild en dwars door het raam ging, meesurfend op een enorme vloedgolf die zich uitstrekte van Cadzand tot Eemshaven. De ramp had zich voltrokken en ik was ziende blind geweest.

Twee à drie uur in het land van Hendrik Groen. De grootste verrassing van Piaggio zat hem uiteindelijk in een ongetwijfeld hoogliteraire verwijzing van de auteur naar Schrödingers kat. Bijna alles liep zoals ik kon voorspellen, inclusief de relatie tussen Anton en Marieke. Hoogstaand was het niet en dat kun je eigenlijk ieder jaar wel schrijven over het Boekenweekgeschenk (ook grote namen als Enquist en Wieringa brachten er weinig van terecht). Maar De Smets boekje was vermakelijk en een ideaal cadeautje van de boekhandel: licht verteerbaar, positief en voor een breed publiek aansprekend.

De lezers van De Smet zijn uitgemaakt voor imbeciel, zijn aanstelling werd een ramp voor Nederland genoemd, zijn hoofdpersonage werd geassocieerd met een NSB-leider; als er iemand nog tragischer is dan zijn personages dan is hij het zelf. Ik heb met hem te doen: voor even ‘verheven’ worden tot de literaire wereld en dan een kleinzielige bundel staartenbijters aantreffen. En dat vanwege een pretentieloos cadeauboekje. Snel weer terug naar beneden, Peter: genieten van je publiek en je centen tellen. Het was een heel lelijke Boekenweek en dat kwam niet door jou.

Martijn van Bruggen