Opinie: Bastiaan Bommeljé – De boekenbranche en het zelfbedrog
De boekenbranche en het zelfbedrog
Na alle ruis van de Boekenweek is het voor de literaire wereld hoog tijd voor een reality check. Terwijl er vorig jaar al 2 miljoen minder boeken werden verkocht in Nederland, staat de teller voor de totale boekenmarkt dit jaar tot nu toe op minus 3 procent afzet en voor alleen Nederlandstalige boeken op minus 5 procent. De afgelopen Boekenweek zag vergeleken met vorig jaar een algemene omzetdaling van 6 procent en voor Nederlandstalige boeken zelf een min van 8 procent. En binnen het literair-culturele segment is Nederlandstalige literaire fictie de hardste daler (inmiddels bestaat meer dan 20 procent van de omzet van de Nederlandse boekenmarkt uit ‘anderstalige’ boeken). De koele harde feiten zijn onmiskenbaar: de boekenbranche heeft een probleem.
Niet dat dit het feestgedruis dempt. Als de Nederlandse boekenbranche ergens door wordt gekenmerkt, is het immers een misschien wel verontrustende mate van literaire zelfoverschatting. Zo meldde de jury van de Libris Literatuur Prijs bij de bekendmaking van de shortlist onlangs dat het ‘erg goed’ gaat met de Nederlandstalige literatuur, die ‘niet onderdoet voor het beste van de internationale literatuur’. Een heugelijk oordeel dat alleen gegeven is aan hen die nooit een roman in het Frans, Italiaans, Spaans, Duits, Pools, Hongaars, Koreaans of Swahili lezen.
Dit soort zelffelicitatie heeft ontegenzeglijk pluspunten, maar overtuigingskracht is daar niet bij. Of het moet zijn dat de Nederlandse literatuur recent enorme sprongen voorwaarts heeft gemaakt. De lezers denken daar anders over, en zo ook een jury van dezelfde Libris Literatuur Prijs, die niet lang geleden klaagde: ‘Het literaire gehalte van de jaaroogst is ons, eerlijk gezegd, niet meegevallen.” Waarna men mopperde: ‘We lazen veel “workshopproza”: braaf maakwerk, in de beste gevallen gepolijst en foutloos, maar onpersoonlijk en zielloos.’ Thans is alles blijkbaar anders, hoewel juryvoorzitter Noraly Beyer ook betoogde dat de jury ‘nog te vaak’ stuitte op ‘karig geredigeerde romans’ waarin ‘schrijf- en typfouten’ een ‘plaag’ waren. Vorig jaar was de jury nog kritischer: ‘Tik- en zetfouten, zinnen die halverwege ophouden, rare afbrekingen, grammaticale miskleunen, complete passages die een eindredacteur mogelijk over het hoofd heeft gezien. […]. Het deed soms pijn aan onze ogen.’
Nu is er weinig tijd zich te verwonderen over dit alles, want de CPNB trompetterde alweer dat ‘uit onderzoek blijkt’ dat dat Gen Z-jongeren van alle Nederlandse generaties ‘het vaakst naar de boekhandel gaan’. Zelf waren we nog bezig met het verteren van het onderzoek door KvB Boekwerk, het Sociaal Cultureel Planbureau en Stichting Lezen waaruit blijkt dat juist vooral jongere Nederlanders zich hebben afgekeerd van boeken, tijdschriften en kranten, en dat de ‘leestijd’ onder 13- tot 19-jarigen nu is gezakt tot 14 minuten per dag, een daling van bijna 40 procent elke vijf jaar. En dit is inclusief digitale teksten, want in tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, bezoeken jongeren onder de 35 jaar vergeleken met ouderen veel minder vaak nieuwssites of nieuwsapps. Zulks blijkt ook uit de ontlezing onder studenten en uit het ‘boekloze studeren’ dat in het hoger onderwijs oprukt. Zo meldde een columnist van het Leidse universiteitsblad Mare onlangs over zijn master-opleiding: ‘Niemand vraagt van ons om voor welk vak dan ook een heel boek te lezen.’ Waarna hij eindigt met de smeekbede: ‘Geef ons minstens per collegeweek een heel boek, niet een reeks voorspelbare pauperpapers, niet een banaal opinieartikel van achthonderd woorden …, maar gewoon een heel boek.’
Laat die hoop maar varen. Aan HBO en universiteit noemt men dit verschijnsel van boekloos onderwijs ‘studieontlezing’. In tijden van dalende studentenaantallen dienen ook ‘taalzwakke studenten’ binnenboord gehouden te worden met powerpoints, video’s met samenvattingen en websites met bulletpoints. In feite zijn thans studenten die niet kunnen lezen van papier en niet kunnen schrijven zonder AI de norm in het hoger onderwijs.
Hiermee hangt ander symptoom van de literaire zelfbegoocheling nauw samen. Ik doel op het zieltogen van de boekenbijlages in kranten. Onlangs deed het gerucht de ronde dat Trouw niet alleen filmrecensies, maar ook boekrecensies ging afschaffen, want ‘die zouden geen jongeren aanspreken’. En de Volkskrant verving de bijlage ‘Boeken & wetenschap’ door het katern ‘Zondag’ waarin boekrecensies worden overschaduwd door ‘essays’ (men bedoelt blijkbaar oeverloze stukken zoals die van Zondag-chef Joost de vries over Rutger Bregman, wat toch, hoe opgewekt je ook in het leven staat, iets anders is dan een stuk van Menno ter Braak over Johan Huizinga). En de boekenbijlage van de NRC plaatst schijnbaar alleen nog recensies die allemaal even lang zijn, want in de ‘digital first’-tijd rest er slechts een papieren zak met stukken van 4 minuten leestijd voor consumptie op een mobiel. Zo ontbreekt elke hiërarchie in recensies, elk overzicht op verschenen boeken, en elk spoor van kennis en onafhankelijke redactionele keuzes. Zo knippert ook niemand nog met de ogen als in de NRC voormalig chef van de Boekenbijlage Michel Krielaars in zijn column een boek prijst van een mederedacteur over een uitgeverij waar beiden nauwe banden mee hebben. Er was een tijd bij die krant dat zulks werd beschouwd als een tweevoudige overtreding van de journalistieke ethiek van boekenredacties.
Misschien is een en ander een bijverschijnsel van het symptoom dat boekenjournalisten zich vooral opwerpen als leesbevorderaars. Hoe moet men het anders interpreteren dat in de NRC en tot 2023 in de Volkskrant vooral 4 ballen/sterren aan boeken worden en werden vergeven, en nimmer een diagnose te lezen valt waarin sprake is van ‘zielloos workshopproza’ dat ‘karig geredigeerd’ is. Sterker nog, veel recensies zijn zo juichend dat uitgeverij Atlas Contact in december jongstleden in de NRC een paginagrote advertentie met louter NRC-quotes plaatste bij de rubriek ‘De beste boeken van 2025’. Leuk, denkt u, maar het was pijnlijk om te zien hoe het vocabulaire der recensenten identiek bleek aan de reclametaal van uitgevers: ‘Geweldige, actuele roman’; ‘Ontroerend, wervelend’; ‘Verrukkelijk’; ‘Pageturner en verrassend actueel’; ‘Verontrustend’ – en dan was men al murw door de overdaad aan ooit in die krant verboden kwalificaties zoals ‘urgent’, ‘fascinerend’, ‘meeslepend’, ‘droomdebuut’.
Wat zich openbaart in de boekenbijlages, en in de hele boekenbranche, is de botsing van de decennialange neergang van het onderwijs met een cultureel domein waarin enige mate van belezenheid, kennis en schrijfvaardigheid is vereist. Nu zitten we met de brokken: uitgeverijen die niet kunnen of willen redigeren, boekenbijlagen zonder merkbare greep op het boekenaanbod (vooral non-fictie en de university presses zijn buiten beeld), recensenten wier oordeel verschrompelt tot flaptekstentaal, en talloos veel miljoenen schrijvers met een academische namaakopleiding (wie is er thans niet ‘schrijver en filosoof’ of ‘dichter en filosoof’?), die al te vaak tevreden zijn met ‘zielloos workshopproza’.
Jongeren in de boekenbranche denken hier vast en zeker anders over, Wellicht komt dit door de bijna pathologische tevredenheid met zichzelf die de moderne tijd voorschrijft. Een dergelijke indruk krijgt men althans uit de talrijke romans en columns die beginnen met het woord ‘Ik’, uit de hartstochtelijke aanbevelingen van eigen werk op social media, uit het narcistische ‘generatie-denken’ dat tijdens de Boekenweek aanleiding was voor zoveel intellectuele uitglijders, en uit het oorverdovende gebrek aan onderlinge kritiek. De werkelijkheid bluft echter niet. Die bestaat uit een teleurstellende hoeveelheid op houthoudend papier digitaal gedrukte romans vol typografisch ongerief en nog voller met literaire leegte. Een en ander doet eerlijk gezegd nauwelijks denken aan een literaire productie die ‘niet onderdoet voor het beste van de internationale literatuur’, maar veeleer aan het clichébeeld van een literaire klasse die danst op een gesubsidieerd Boekenbal, waarover latere letterkundige handboeken waarschijnlijk weinig meer opbeurends te melden zullen hebben dan een hoofdstuk ‘Zelfbedrog en zelffelicitatie’.
Bastiaan Bommeljé

Zeer op z’n plaats, deze tegenstem!
Er zijn redenen waarom ik vrijwel alleen nog Duitse boeken lees en Bommeljé verwoordt deze zeer effectief. Kleine kritische noot: afkortingen voor soorten onderwijs schrijft men met kleine letters. HBO is een zogenaamde streamingdienst, het hoger beroepsonderwijs kort men af als hbo.
Bastiaan Bommeljée slaat de spijker op de kop. Maar er is meer.
Bommeljée wijst op het idee dat de Nederlandse literatuur ‘niet onderdoet voor het beste van de internationale literaturen’. Hij zegt dat dit ‘oordeel … alleen gegeven is aan hen die nooit een roman in het Frans, Italiaans, Spaans, Duits, Pools, Hongaars, Koreaans of Swahili lezen’. Zo is het, inderdaad, en al decennia lang! Mochten uitgevers klagen over gebrek aan verkoop van literatuur, dan is dat toch vooral doordat men weliswaar vertaalde literatuur uitgeeft maar er te weinig aandacht voor weet te genereren. Het ontbreken op TV van behoorlijke programma’s over literatuur speelt natuurlijk ook een rol.
Maar literatuur critici treft ook blaam. Bommeljée zegt dat: ‘…boekenjournalisten zich vooral opwerpen als leesbevorderaars. Hoe moet men het anders interpreteren dat in de NRC en tot 2023 in de Volkskrant vooral 4 ballen/sterren aan boeken worden en werden vergeven, en nimmer een diagnose te lezen valt waarin sprake is van ‘zielloos workshopproza’ dat ‘karig geredigeerd’ is. Sterker nog, veel recensies zijn zo juichend dat uitgeverij Atlas Contact… een paginagrote advertentie met louter NRC-quotes plaatste bij de rubriek ‘De beste boeken van 2025’. Wel, het kan natuurlijk niet kloppen dat waar de Nederlandse literatuur weinig voorstelt bij buitenlandse literatuur, er zoveel 4 ballen/sterren worden gegeven voor Nederlands literair werk! Of deze critici dit doen ‘als leesbevorderaars’, of dat het hier om ordinare vriendjespolitiek gaat, om het even. Maar vraagt u zich eens af waarom Bommeljée de buitenlandse literatuur beter vindt dan de Nederlandse: dat is domweg omdat de teksten waaruit die buitenlandse literatuur bestaat literair gezien beter zijn! Misschien moeten literaire critici alhier weer eens gewoon naar de literaire kwaliteit van een tekst kijken, en er niet van alles bij slepen!
En dan nog dit, Bommeljée roert het al aan: er is weinig toekomst voor de verkoop van literatuur. De afbraak van het onderwijs (olv de VVD) en de opkomst van sociale media hebben geleid tot een generatie die niet in staat is zich lang op een tekst te concentreren. Dit is desastreus voor de studie van de exacte vakken (zoals ik heb kunnen zien), maar ook voor het lezen van literaire teksten, die als zij echt goed zijn, toch wat ‘geduldig werken’ vereisen. Uit eigen ervaring kan ik zeggen dat er stees weer een kleine groep jongeren is die zich uitgedaagd voelt, die zich kapot wil werken om wiskundige/natuurkundige teksten te begrijpen, en zo’n kleine groep zal er ook wel blijven voor serieuze literatuur. Uitgeverijen die het niet vooral om het maken van winst gaat, maar die boeken uitgeven uit liefde (van Oorschot, IJzer, Koppernik, Vleugels, Voetnoot, Wereldbibliotheek, Zirimiri, …) zullen het misschien redden; die geldzuchtigen niet, en dat is misschien maar beter ook als ik zie wat er met de Perpetua-reeks van Atheneum-Polak & van Gennip is gebeurd.
Wat bedoelt u met een ‘academische namaakopleiding’?
Herkenbaar, vooral wat betreft de ‘boekenjournalisten’. Wat geen aandacht krijgt, bestaat immers niet. Vier maanden geleden verscheen bij Walburg Pers mijn biografie over Arthur van Schendel, toch niet de minste auteur van fictie zou je denken. NRC, Volkskrant, Trouw, Het Parool en De Groene, allemaal zwegen ze het boek echter dood, alleen Carel Peeters schreef er over in Vrij Nederland. Op het internet verschenen enkele reacties, waaronder een nogal vooringenomen recensie op biografieportaal van iemand die het niet eens was met mijn aanpak. Elders op het net was er – gelukkig voor mij – alleen maar lof, van Manu van der Aa en Bert Natter bijvoorbeeld. Ook tal van lezers lieten via e-mail met enthousiasme van zich horen. De Maatschappij der Nederlandse letterkunde en andere digitale clubjes zwegen daarentegen weer (Tzum tot dusver ook…). Ik denk overigens dat een gebrek aan journalistieke reacties zeker ook te maken heeft met wie je niet alleen als auteur maar ook als uitgever kent in de pers en elders in het literaire veld.
Hoe dan ook, ondanks het gebrek aan aandacht in de landelijke kranten, is Van Schendels biografie inmiddels toe aan een tweede druk. Ik wil daar maar mee zeggen, dat dergelijke boeken ook zónder recensies met die subjectieve balletjes hun weg wel naar de lezer weten te vinden.
Typografische verzorging, goede redactie en eindredactie hebben altijd Bommeljé’s aandacht, en dat is mooi. Er heeft vast een gouden tijd op dat vlak bestaan, maar niemand weet wanneer. Afgelopen winter las ik wat romans uit de jaren vijftig en zestig, gerenommeerde huizen en bij ieder boek, originele drukken, kon ik een lijstje tik- en zetfouten noteren. En wonderlijke taalfouten. Het is bij ons misschien wel altijd knudde geweest…
Het is wel erg sneu dat je continu terug komt op een recensie die niet zo goed uitpakte voor je boek.
De citaten van de libris-jury komen uit het juryrapport van 2007. Over tijd – het verstrijken en de relativiteit – valt natuurlijk te dubben maar ‘niet lang geleden’ is in dit verband natuurlijk schromelijk overdreven. In een wereld die iedere 20 minuten van kleur verschiet is (een kleine) 20 jaar een eeuwigheid. Dat het boekenaanbod met de wereld mee kleurt behoeft, naar ik hoop, verder geen betoog.
Aan deze interessante discussie zou ik als onafhankelijke auteur graag willen toevoegen dat het misschien een fantastisch idee is om zomaar eens het werk van een onafhankelijke auteur te gaan lezen, die van kaft tot kaft haar eigen werk heeft verzorgd, zonder enige bemoeienis van welk commercieel bedrijf dan ook. Voor dat werk wordt uiteraard geen reclame gemaakt. Er is geen krant die er een recensie aan durft te wijden. Praatprogramma’s en literaire prijzen gaan aan haar voorbij en dat is een zegen, want dan kan zij namelijk met alle aandacht boeken schrijven naast haar betaalde baan als docent. Virginia Woolf schreef ooit dat de auteur behalve een eigen kamer ook een zak met geld moet hebben. Mijn ervaring is dat een baan als docent een ideale broedplaats is voor alle creativiteit en dat je dan niet eens meer een eigen kamer nodig hebt om achter elkaar boeken te schrijven. Het is bovendien geen enkel probleem als er geen kopers van haar boeken zijn, want ze zorgt zelf voor brood op de plank door les te geven. Wél is het verschrikkelijk als er geen lezers zijn, want die moeten dan de verhalen missen die alleen in hun hoofd tot leven kunnen komen. Wees van harte welkom!
Het is niet HBO, maar hogeschool.
Ik kijk al jaren met heel veel plezier naar het franse programma La Grande Librairie. Inspirerend, hoog niveau.
Maar ja, je moet het frans wel meester zijn. En nederlanders zijn dat over het algemeen niet. Jammer, jammer
George Steiner, pakweg halve eeuw geleden: verval van het woord.
Profetisch.
Wat een uitstekende column. De boekenbijlage van de Volkskrant is verworden tot een bladerstuk waarmee iedere week weer een teleurstelling op de mat valt. Die van de NRC is veel beter, al kan ook die niet tippen aan die van De Standaard (der Letteren).
De minachting van auteurs blijkt uit de onachtzaamheid waarmee hun werk wordt uitgegeven, ook bij ‘kwaliteitsuitgeverijen’. Typfouten zijn schering en inslag. Bij hun vacatures zie je dan ook vaak ‘stagiaire’ staan: zo’n kantoorbaantje kun je aan een jongeling overlaten die zelf waarschijnlijk nauwelijks boeken heeft gelezen. Bovendien is het een minachting van de lezer die de zuur verdiende centen besteedt aan een boek. Het is opvallend dat zowel Duitstalige als Engelstalige boeken zoveel beter geredigeerd zijn.
Het is wachten tot ook de schrijver er de brui aan geeft, en zich er makkelijk vanaf maakt door via kunstmatige intelligentie werk te ‘creëren’. Collega-uitgevers: controleert u daar inmiddels op? Zeker bij debutanten komt u wellicht voor verrassingen te staan.
Sander, zoon van mijn vrienden, helpt zijn ouders verhuizen naar een praktisch appartement. Boomers, moppert hij, met al die verdomde boekenkasten van jullie! De laatste generatie lezers ruimt het veld, hun boeken gaan naar de kringloop, voor het geval er nog eens iemand …