Recensie: Derek Jarman – Glimlach in slow motion
De bloeiende tuin als baken
Zijn persoonlijk verhaal is aangrijpend, niet in de laatste plaats zijn levensinstelling nadat bij hem in 1986 hiv werd vastgesteld, destijds nog een doodvonnis op termijn. Derek Jarman, schrijver en kunstenaar, maar bovenal een ware cult-filmmaker, bleef voortgaan op zijn kunstzinnige, nietsontziende weg. Hij kocht Prospect Cottage, zijn beroemde houten huisje aan de kust van Kent in Engeland, met de kerncentrale van Dungeness als directe buur. Het tweede vuistdikke deel van zijn uitgebreide dagboeken is nu in het Nederlands verschenen als Glimlach in slow motion.
Twee jaar geleden bracht Dag Mag het eerste deel, Moderne natuur, van Jarmans dagboeken al uit, met als veelzeggende ondertitel ‘Aantekeningen uit een tuin aan de rand van het bestaan’. Want destijds had nog niemand met hiv enige zekerheid. Of het moest de onafwendbaarheid van het einde zijn. Het kopen, opknappen en schilderen van het huisje, dus Prospect geheten, kent dezelfde allerminst wanhopige levenshouding als het aanleggen van de al snel weelderig bloeiende tuin met een intimiderende ‘hoestende en proestende’ kerncentrale vlakbij. Ook zonder hiv, voelen mensen in de eenentwintigste eeuw zich vaak verloren door niet te beïnvloeden omstandigheden. Jarman koos de vlucht vooruit.
Kent is op het ogenblik prachtig, alle kleuren groen en hagen met veldbloemen, wilde hyacint, daslook, mannetjesorchis, fluitenkruid en hoge boterbloemen die bloeiden in de lang vervlogen tuinen van mijn kindertijd.
Het is mei 1993, minder dan een jaar voor zijn dood op 19 februari 1994, als Jarman op deze manier de bedreigde schoonheid van de aarde bezingt. Als altijd omgeven door zijn geliefden en ook door begripvolle artsen en verpleegkundigen. Bovendien nog steeds met een open oog voor natuurlijke en andere materialen, waar hij mogelijk later eens iets mee zou kunnen doen.
Keith Collins, HB in de dagboeken, en de bezorger ervan, was degene die Jarman nooit verliet en ook zorg bleef dragen voor Prospect tot zijn ook al vroege dood in 2018 aan een hersentumor. Waarna hij werd bijgezet in Jarmans graf in Old Romney in Kent.
Prospect Cottage en de tuin werden uiteindelijk bewaard na een crowdfundingactie, waarbij achtduizend donoren €4 miljoen bijeenbrachten. Tegenwoordig is het een kunstenaarsresidentie, maar het aantal bewonderaars van Jarmans werk, komend vanuit de hele wereld, zullen er zelfs van afstand nog steeds iets kunnen vinden van zijn wereld. Vergelijk het met Gerard Reves Huize Het Gras in het Friese Greonterp of Jagtlust van Fritzi Harmsen van Beek in Blaricum, ooit ook levendige ontmoetingsplekken van culturele uitverkorenen, vandaag de dag bedevaartplaatsen voor mensen van later datum.
Wat opvalt, meer nog dan in Moderne natuur, is Jarmans talent zijn naderende noodlot doelbewust aan de kant te zetten. Dat is natuurlijk logisch, want in dit tweede deel zijn we al weer jaren verder en zijn toestand verslechterde aanzienlijk in die periode, maar zijn houding lijkt ongebroken. Overigens zonder de ogen te sluiten voor het onafwendbare.
Hij overdenkt in kleine boekjes, haast kalligrafisch vol gepend, zijn moeilijke jeugdjaren, zijn uitdagende leven als homoseksueel en zijn strijd als avantgardistisch kunstenaar. Hij leeft niet alleen met de bloemen, maar ook met een bijenkolonie, met de seizoenen, hij hoort de misthoorn aan de kust, beleeft intens de zon, de wind, de zee en schrijft, net als Reve, talloze brieven, is bovendien gastvrij voor alle vrienden en bezoekers, zoals de foto’s achterin wel bewijzen. Ook als het in mei 1991 gaat om een jonge fan, die voor hem helemaal uit Japan is gekomen:
[…] ik heb thee voor haar gezet en gaf haar een ketting met geluksstenen van Dungeness, ze was bijna in tranen toen ze vertrok. Vreemd om de halve wereld over te reizen om de tuin te bezoeken. Terwijl de zon onderging zoemde er een bij naar me, een wachter, omdat ik te dichtbij kwam.
Alleen onder elkaar worstelt Jarman openlijk met zijn toenemende blindheid, de lompe persvertegenwoordigers (‘Bent u nog niet dood?), zijn gedachten over een uitvaart (‘een circustent, dat lijkt me wel wat’) en zijn uiterlijk (‘Wat er ook gebeurt, ik zal er goed uitzien’). Natuurlijk is het onvermijdelijk ook aan andere culturele aidsdoden te denken, Noerejev, Mercury, maar de tuin is er altijd. In het ziekenhuis overvalt hem echter de moedeloosheid:
Volgens mij heb ik vooral last van het gebrek aan duidelijkheid en is het een heel normaal instinct om te denken dat ik eraan had kunnen ontkomen. Het is heel rustig in het ziekenhuis, verstild bijna, hoe breng ik dat onder woorden? Ik heb een knoop in mijn maag, voel me ontzettend moedeloos. Mentaal ben ik zo scherp als wat, maar mijn lijf is het letterlijk aan het begeven, een kaal peertje in een donkere, verwoeste kamer.
Jarmans laatste jaren in dit dagboek zijn echter in de eerste plaats een indrukwekkende oefening in veerkracht, die tot uiting komt in de tuin en de bijen, maar vooral in zijn teksten. Collins haalt er een speciaal uit:
Lees alsjeblieft over de zorgen van de wereld die ik op deze pagina’s heb vastgelegd, en leg het boek daarna weg en heb lief. Dat jou een betere toekomst beschoren mag zijn, dat jij zonder zorgen mag liefhebben en je mag herinneren dat ook wij elkaar lief hebben gehad. Toen de duisternis inviel, kwamen de sterren tevoorschijn.
André Keikes
Derek Jarman – Glimlach in slow motion. Dagboeken 1991-1994. Vertaald door Henny Corver en Nico Groen. Das Mag, Amsterdam. 608 blz. € 37,50.

Ik heb Moderne Natuur gelezen. Heel mooi. Ga alles van Jarman verzamelen en lezen.