Column: L.H. Wiener – Dankwoord bij de bekroning van de Hans Vervoort-prijs 2026
Dankwoord uitgesproken op 23 april 2026 bij de bekroning van de Hans Vervoort-prijs van mijn novelle In verlatenheid
Geachte aanwezigen,
Geachte mevrouw Vervoort,
Geachte heer Vervoort,
Dat wij elkaar op hoge leeftijd nog mogen ontmoeten, voordat wij op reis gaan naar that undiscovered country from whose bourn no traveller returns, om collega Shakespeare te citeren, bij monde van zijn welbespraakte maar enigszins neurotische zoon Hamlet, is mij een grote eer. Ik ken uw naam al van vele jaren her, maar van uw oeuvre had ik tot drie weken geleden nog geen kennis genomen. Wel kende ik al sedert een halve eeuw twee van uw titels, te weten Zwarte rijst en het wel zeer geestige Heden mosselen morgen gij, met een speelse verwijzing naar de briefwisseling tussen Simon Vestdijk en Hendrik Marsman.
Of u bekend was met míjn werk laat ik nu liever buiten beschouwing, aangezien deze avond een vrolijk accent moet houden, maar nog bijtijds heb ik mijn achterstalligheid aangaande kennis van uw oeuvre kunnen inlopen via boekhandel De Vries Van Stockum te Haarlem en nadien middels René Hesselink, bevriend directeur van het vermaarde antiquariaat Hinderickx en Winderickx, hetgeen bij elkaar vier titels opleverde.
Ons beider thematiek heeft duidelijke raakvlakken, waarop ik op dit moment liever niet wil ingaan, nogmaals, om de avond niet te zwaar te belasten met verraad, vergeefsheid en verdriet. Van minder overeenstemming getuigen onze aforismen aangaande de zin van het leven. Voor u geldt de hardnekkig positieve benadering: ‘Het leven is zinloos, maar verder kun je er alles van maken’; voor mij geldt een iets misantropischer benadering: ‘Het leven is mooi, maar men moet leren hoe het te vergallen.’
Opnieuw grappig overeenkomstig is dan weer dat wij beiden meerdere uitgevers hebben versleten: u gisteren vier, ik heden vijf, waarbij gezegd moet worden dat ik bij uitgeverij Pluim, Mizzi van der Pluijm dus, the queen of books, blijf tot de pen aan mijn hand ontvalt.
Aan haar heb ik niet alleen de titel van mijn boek te danken, die aanvankelijk luidde: In verlatenheid verkerende, wat ik mooi triest vond klinken, met in het woord verkerende, dat verblijven betekent, maar ook de gecombineerde betekenissen van verkering en verkeerd suggereert, dus een verkeerde verkering die tot verlatenheid leidt, maar die door Mizzi onmiddellijk werd afgekeurd en gewijzigd tot het enkele en sobere In verlatenheid, dat ik zonder tegenstribbelen accepteerde. Men kan iets ook te mooi willen zeggen. Een van mijn uitgevers, Geert van Oorschot, hield van mijn teksten omdat ze ‘mooi kaal’ waren, zoals hij het noemde. En Mizzi zit kennelijk op dezelfde lijn.
En ik wil besluiten met een dankwoord aan de jury, die mijn boek uit meer dan honderd inzendingen met literaire oprispingen heeft geselecteerd. Ik kenschets deze novelle als mijn zwanenzang en dat na zestig jaar schrijverschap deze zwaan nog even zijn lange hals fier omhoog mag strekken vervult mij met trots.
Ik dank u voor uw aandacht.
L.H. Wiener
