Essay: Iemand zijn die Infinite Jest gelezen heeft
Kiezen voor de oorspronkelijke versie van Infinite Jest van David Foster Wallace uit 1996, juist nu de Nederlandse vertaling beschikbaar is, klinkt wellicht wat vreemd, maar ik had nog nooit van het boek gehoord. Nu wel dus, want door de bijzondere vertaling staat het volop in de belangstelling. Ik heb ooit als zestienjarige David Copperfield in het Engels gelezen (ongeveer 900 bladzijden). Na afloop vroeg ik me af of ik hetzelfde boek had gelezen als dat Dickens geschreven had. Inmiddels is mijn Engels misschien iets beter geworden, maar inmiddels weet ik ook dat het voor ieder boek geldt dat het je sowieso op geen enkele wijze zal lukken het boek te lezen dat de betreffende auteur geschreven heeft. Daar hoefde ik me dus niet door te laten weerhouden.
Omdat ik hoorde van het bijzondere taalgebruik van Wallace – woorden die zijn geconstrueerd uit stukjes van andere woorden – wilde ik me toch aan het Engels wagen. Bovendien, zo had ik inmiddels begrepen, was ook de Nederlandse versie eigenlijk niet te doen, ondanks de alom geprezen vertaling.
En zo belandde ik in het eerste hoofdstuk in een bizar gesprek tussen Hal Incadenza en de decanen van de tennisacademie ETA. Misschien kun je het eerder een totale discommunicatie noemen, waarbij de decanen alleen nog maar vreemde klanken horen en Hal een soort toeval lijkt te krijgen. Omdat ik nogal wat woorden moest opzoeken en die niet allemaal kon vinden, vermoedde ik dat dit de nieuwe woorden van Wallace waren, subtiele variaties op bestaande. Helemaal zeker was ik niet. De discommunicatie tussen Hal en de decanen spiegelde die tussen het boek en mij. Beter kan het niet: zelf onderdeel zijn van ontwrichting en vervreemding.
Het heeft tot wel een derde van het boek geduurd, voordat ik begreep hoe ik die vreemde hoofdstuktitel betekenis kon geven, die steeds terugkwam. Met de vertaling van de losse woorden kwam ik namelijk steeds op zo’n idiote constructie uit dat ik enigszins beschaamd, maar vooral stug doorlas, in de hoop dat ik ergens een keer het licht zou zien. Het bleek vooral het licht van neonreclame te zijn.
Natuurlijk was ik voorbereid op het grote aantal voetnoten. Er was mij op het hart gedrukt die in elk geval niet over te slaan. Soms las ik vast een paar voetnoten achter elkaar, om een soort voorraadje voor onderweg op te bouwen. Helemaal niet de bedoeling natuurlijk en onderweg brokkelde dat voorraadje dan ook al snel af en keek ik vertwijfeld naar de brokstukken die zich volstrekt betekenisloos aan me voordeden.
Ik moest van mezelf doorlezen, ook als ik geen zin had, ook als ik er niets van begreep. Gek werd ik van de afkortingen en de grote hoeveelheid namen, maar de talloze associaties, de zijwegen, het verdwalen en het ondermijnen van wat net beweerd is, tot je in een driedubbele knoop of heus labyrint belandt, vond ik een feest van herkenning: zo werkt mijn eigen brein ook. Er is immers geen enkel houvast.
Toch wel dus, er is wél wat houvast, namelijk die vrolijk of juist treurig dobberende bakens tussen de overdaad van informatie: spelen, rolstoelen, blauw, verslaving, miscommunicatie, licht en donker, misvormingen, prestatie, verveling. Treurig vooral misschien, maar tegelijkertijd verslavend voor iemand die ook urenlang kan luisteren naar de Mysteriënsonaten van Heinrich Ignaz Franz Biber alleen in de nauwelijks te vinden uitvoering van Alice Piérot, steeds opnieuw, omdat in de laatste minuut van het laatste deel van de vijfde sonate een hemels, maar naar verhouding veel te kort fragment voorkomt waarin alles met alles samenhangt, van ‘de afgrond en de luchtmens’ om maar met Lucebert te spreken, pure mystiek. Om daar te geraken, moet je een overdaad van barok geweld trotseren. Natuurlijk kun je dat kleine fragment met de huidige techniek eindeloos achter elkaar herhalen, maar je voelt dat dat niet de bedoeling is. Het mysterie openbaart zich pas na dat eindeloze verlangen en lijden.
En zulke intense fragmenten kwam ik ook in Infinite Jest tegen: de kleine breekbare tussendoormomenten waarin Hal met een van zijn broers in gesprek is, bijvoorbeeld, of waarin Kate Gompert aan de dokter uitlegt dat ze niet een einde aan haar leven wil maken om zichzelf iets aan te doen, maar om die pijn juist niet te voelen, of waarin zij vier nachten niet geslapen heeft en door de straten loopt, terwijl Ruth van Cleve non-stop in haar rechteroor praat. Dan knipperen de lantaarns en in dat knipperende licht is er een wonderlijke weerspiegeling in de winkelruiten: ‘just heads that seem to float across each window unconnected to anything. As in disconnected floating heads.’ Ook tegen het einde van het boek, wanneer je als lezer ondanks dat het einde in zicht is, de wanhoop nabij (of inmiddels voorbij?) bent, is er een ontroerend fragment waarin Barry Loach op straat smeekt om aangeraakt te worden, terwijl iedereen hem voorbijloopt.
Het boek komt voort uit een getormenteerde ziel, dat kan bijna niet anders. Het is bizar hoe deze dystopie uit 1996 voor een groot deel werkelijkheid is geworden, met onze verslaving aan die paradoxale sociale media, die ons alleen maar asocialer lijken te maken. Ik heb best eens wat bladzijden omgeslagen en gedacht: het zal wel, meneer Wallace, ik ben even niet bereikbaar. Daardoor heb ik vast veel gemist en die talloze o zo betekenisvolle voetnoten… ach. The fear of missing out, daar heb ik me juist in strijd tegen die sociale media allang een beetje tegen gepantserd.
Natuurlijk is het verleidelijk om na dit boek van 1400 bladzijden, in het Engels nota bene, te zeggen dat het mijn leven heeft veranderd, dat ik het niet voor niets heb gelezen, en dat alle lezers die het boek niet gelezen hebben, écht iets gemist hebben. Dat is ook zo, natuurlijk, maar dat geldt ook voor mijzelf. Hoeveel boeken had ik niet kunnen lezen in de uren die ik gewijd heb aan Infinite Jest? Ik ben door dit boek een ander mens geworden, ja zeker, zoals ik dat door ieder gelezen boek word. Ik ben namelijk nu iemand die Infinite Jest heeft gelezen, in het Engels. Tegelijkertijd ben ik nog steeds de mens die Schuld en boete van Dostojevski niet gelezen heeft en die nog steeds niet zo goed in Engels is, en ook dat is net zo verschrikkelijk als dat het vergeeflijk is.
Dietske Geerlings
David Foster Wallace – Eindeloos vertier. Vertaald door Robbert-Jan Henkes. Koppernik, Amsterdam. 1176 blz. € 50.
Eerder verscheen deze recensie van Eindeloos vertier
