Recensie: David Foster Wallace – Eindeloos vertier
Een complexe roman die minstens tien romans bevat
Eindeloos vertier is de vertaling van de even briljante als kolossale, alle regels van de roman als literaire categorie negerende roman Infinite Jest van David Foster Wallace. Wallace, geboren in 1962, maakte een eind aan zijn leven in 2008. Zijn ster was toen al flink gerezen. Hij liet een onafgemaakt manuscript na, The Pale King. Evenals Infinite Jest, in de VS verschenen in 1996, wekte dat boek bij mij associaties op met Laurence Sterne’s Tristram Shandy. Wat het daar in elk geval mee gemeen heeft is de ‘estuariumvorm’ – de roman als eindeloos vertakkende rivierdelta, eindeloos ook in die zin dat de auteur geen slotakkoord heeft aangeslagen maar op een ogenschijnlijk willekeurig moment een laatste punt heeft gezet.
Eindeloos vertier is vertaald door Robbert-Jan Henkes en dan weet je niet alleen met een goeie, maar ook eigenzinnige vertaling te maken te hebben, met rake vondsten. Dit boek zit er vol mee. Dit vond ik een van de mooiste: waar DFW, spelend met ‘heartbeat’, schreef ‘in a fucking hatbeat’, vertaalde RJH dat met ‘in een oogwip’.
Eindeloos vertier heeft geen plot. Sommige van de vele verhaallijnen kruisen elkaar, sommige snijden andere en nog weer andere lijken evenwijdig met elkaar. Als je per se een plot wilt hebben, kun je die putten uit merkwaardige, geheimzinnige ontmoetingen – van een Amerikaanse geheime dienst-man die er als een travestiet uit wil zien – wat iets anders is dan er willen uitzien als een representant van, binair gedacht, het andere geslacht, en een beenloze man die vanwege dat gebrek in een rolstoel zit en behoort tot een rolstoelers-doodseskader met separatistische doelstellingen uit het Canadese, Franstalige Quebec. Na de dood van een man, een dood ingetreden na eindeloos kijken naar een entertainmentfilm, keer op keer afgespeeld omdat hij zich er kennelijk niet van kon losrukken, lijkt dit rare duo de taak op zich te nemen de maker van deze dodelijke film op te sporen. Hoofdstukken waarin het duo optreedt zijn gesitueerd in de Far West, en dan op heuveltoppen, waar je niet meteen rolstoelers verwacht en zeker geen rolstoeler uit Quebec.
Andere verhaallijnen – ik schrijf ‘lijnen’, maar trek daar niet de conclusie uit dat het om chronologisch-lineaire lijnen gaat – krijgen veel meer pagina’s. Ten eerste die met als hoofdpersoon Hal Incandenza, student van een tennisinternaat. De oprichter was Hals vader, behalve tennisleraar en internaatleider ook fervent alcoholist en hoogst productief avant-garde-cineast. In de eindnoten is een overzicht opgenomen van zijn films. Sla dat overzicht niet over.
Het internaat wordt nu geleid door Hals moeder en haar vriend. Belangrijke bijrollen zijn er voor Hals oudere broer Orin, die het internaat heeft verlaten. Hij combineert een overontwikkelde tennisarm met één dito been, waarmee hij op onnavolgbare wijze met grote precisie en vanaf elke plek op het veld de American Football-bal over de lat en tussen de palen weet te schoppen. Dat is tijdens wedstrijden dan ook zijn enige taak in het profteam dat hem daarvoor beloont met een vet contract.
Hals jongere broer Mario is ernstig mismaakt. Toen zijn vader nog leefde was hij diens cinematografische assistent, na de dood van zijn vader is hij doorgegaan met filmen. Waar hij ook gaat of staat op het uitgebreide en overal ondertunnelde internaatscomplex draagt hij een 16mm-camera mee, vastgebonden op het schedeldak van zijn enorme, vierkante kop.
Hal behoort tot de grootste talenten van zijn jaargroep, maar een chronische enkelblessure speelt hem parten. Mentaal lijkt hij steeds afhankelijker te worden van hits Bob Hope, op een verborgen plek in een tunnel genoten. Een Bob Hope is een stukje marihuana-hars, waarvan de rook bij verbranding in één ademteug diep de longen wordt ingezogen (als ik het goed begrepen heb). Het wemelt op het internaat – en daarbuiten – van de chemische en andersoortige middelen ter verruiming, verdamping, of ontspanning van de geest, of ter onderdrukking van geestes- en/of lichaamspijn, of ten behoeve van prestatieverhoging, zodat er vanwege de regelmatige controles ook een even slim als levendig, geheim handelsverkeer bestaat van schone urine. Van zo’n beetje alles presenteert DFW in de eindnoten ook de chemische naam en samenstelling, handig voor als als je ooit de hobbydoos voor de jonge scheikundige in de dop cadeau hebt gekregen.
Een andere belangrijke verhaallijn is die, gesitueerd in en rond wat ik maar even een halfweg-huis noem, dat aan de voet staat van de heuvel van het tennisinternaat, maar er geen relatie mee onderhoudt. In dat huis kunnen verslaafden een kamer krijgen om verder te werken aan genezing nadat ze ontslagen zijn uit een detox-centrum. De leiding in het huis is in handen van Don Gately, een empathische man met een sterk ontwikkeld rechtvaardigheidsgevoel en zelf een afgekickte verslaafde, wiens huiveringwekkende tocht langs het ravijn van overdoses in flashbacks wordt verteld, alsmede hoe hij die tocht placht te financieren.
Tenzij wordt teruggeblikt spelen de verhalen zich af in een Amerika van een nabije toekomst. Een brede strook land tussen Amerika en Canada is ontvolkt om te kunnen gebruiken als dump voor elke denkbare vorm van afval, waaronder ook gevaarlijk chemisch en radioactief afval, dat de Amerikanen met grote raketten naar het noorden schieten.
President is ene Gentle, die zijn verkiezing te danken heeft aan zijn populariteit als zanger-entertainer. Noord-Amerika is één, dat wil zeggen één met Canada en Mexico, want verenigd in de ONAN, de Organisatie van Noord-Amerikaanse Naties. Er is gedoe (geweest?) met separatisten uit Quebec. Overigens laten politiek, milieuvervuiling en om het even welke andere sociale kwestie iedereen onverschillig.
Wil DFW laten zien hoezeer zucht naar vertier, naar entertainment, dat met het brein in de uitstand kan en zelfs moet worden genoten, onze cultuur zijn gaan bepalen? Als dat het enige zou zijn, dan is Eindeloos vertier weinig meer dan een uitwerking in romanvorm van Neil Postman’s Amusing ourselves to death uit 1985. Nou ja, weinig meer, als het dat zou zijn, is het al heel wat. Kort na verschijning werd dat boek een wereldhit, maar inmiddels lijkt het alweer vergeten (geheel in lijn met de voorspelling van algehele debilisering die erin wordt uitgesproken ….).
Eindeloos vertier is veel meer. Lezing vereist nogal wat inspanning. Vanwege de enorme omvang, maar ook omdat DFW zijn vaak lange zinnen pleegt te stofferen met woorden uit de categorie ‘moeilijk, zelden gebruikt’ en bovendien geneigd is te spelen met woordvervormingen (heartbeat/hatbeat). Je zou kunnen zeggen dat dit inspanningen vereisende literaire amusement op zichzelf al de strijd aanbindt met die debilisering.
Dit boek lezen met het brein in ontspannen stand is je de helft van de betekenissen en meer dan de helft van de grappen laten ontgaan.
Spreken van DFW’s stijl is eigenlijk niet goed, stijlen is beter. Ogenschijnlijk moeiteloos stapt hij over op een ander stijlregister als de introductie van een personage – en Eindeloos vertier telt er vele – dat verlangt. Kortom, niet alleen vanwege de omvang, maar ook op grond van de stijlvariëteit van Eindeloos vertier kun je zeggen dat het een complexe roman is die minstens tien romans bevat.
RJH’s vertaling sprankelt. Voor bijna elke woordgrap heeft RJH een goede vertaling gevonden*. Lees dit boek en herlees het meermalen. Sla de eindnoten niet over. Elke keer zul je nieuwe vondsten doen.
Hans van der Heijde
*Het tennisinternaat telt ook meisjes. Waaronder eentje die twee keer zo lang, breed en sterk is als de anderen en de weinig complimenteuze bijnaam U.S.S. Millicent Kent heeft gekregen. Zij plaatst zichzelf in de Betty Stöve/Venus Williams powergame traditie.
Hé, wat aardig, onze ‘eigen’ Betty Stöve heeft ook een plek gekregen in dit boek! En niet van RJH, die terecht haar naam correct spelt met o-umlaut, maar al van DFW, die het umlaut-trema echter weg heeft gelaten. Per abuis? Daar geloof ik niks van: een ‘stove’ is een fornuis.
David Foster Wallace – Eindeloos vertier. Vertaald door Robbert-Jan Henkes. Koppernik, Amsterdam. 1176 blz. € 50,-.
