Recensie: Božena Nĕmcová – Wilde Bára
Witte heks
Het sprookje is van oudsher een van de sterkste vormen om bijvoorbeeld sociale ongelijkheid onder de aandacht te brengen, verbloemd aan de kaak te stellen. De novelle Wilde Bára van de negentiende-eeuwse Tsjechische schrijfster Božena Nĕmcová is in alle ogenschijnlijke eenvoud een baanbrekend werk. In de Boheemse contreien was het Tsjechisch tijdens de Oostenrijkse heerschappij eeuwenlang onderdrukt door het Duits.
Een toenemend nationaal bewustzijn begin negentiende eeuw zorgde ervoor dat ‘de taal van het volk’ in kaart werd gebracht, de woordenschat uitgebreid en de grammatica aangescherpt. Binnen een paar decennia kwam de Tsjechische literatuur tot volle bloei, kon zich tijdens de romantiek al snel meten met werk uit de rest van Europa.
Literair patriottisme waarbij Nĕmcová zich thuis voelde. Zij was zelf een soort ‘wilde Bára’, probeerde als eerste Tsjechische vrouwelijke auteur van de pen te leven. Een armlastig bestaan. Temeer omdat ze, totaal niet en vogue in die tijd, veel over het wel en wee schreef van gewone vrouwen en meisjes op het platteland. Het rurale dagelijks leven inclusief kleding, gewoontes, bijgeloof en typische gezegdes en volkswijsheden. Dorpsproza dat haar de bijnaam ‘moeder van de Tsjechische literatuur’ bezorgde.
Zij werd een voorbeeld voor andere Tsjechische schrijfsters in de negentiende eeuw en daarna. Weliswaar was ze getrouwd geweest met een rijksambtenaar, maar het feit dat ze in die dagen als vrouw financieel onafhankelijk trachtte te opereren, maakte haar tot een voorvechtster, een feministe avant la lettre.
Nĕmcová was als kind ondergebracht bij een pleeggezin, kreeg echter wel een goede opleiding, was al van jongs af aan geïnteresseerd in de bibliotheek van het voorname huis waar ze les kreeg in goed omgangsvormen. Dit alles zou erop kunnen wijze dat ze een zogenaamd ‘ondergeschoven kind’ was uit een adellijke verboden liaison.
Wilde Bára is nergens hoogdravend, hoeft dat ook niet te zijn om effect te hebben. Bára zelf is een eenvoudig kind, dochter van Jakub, een wees die allerlei klusjes heeft gedaan in de loop der tijd en uiteindelijk is opgeklommen tot dorpsherder. Een vast beroep waardoor hij kan trouwen, al is hij maar al te blij dat hij ’s avonds niet door een vrouw uit de kroeg wordt gehaald.
Dan wordt hem een ‘wijsheid’ ingefluisterd. Hij komt niet in de hemel als hij kinderloos blijft. Het spookt door zijn hoofd, en dus gaat hij naar de burgemeester en huwt de dienstmeid Barbora. Na een jaar wordt een meisje geboren dat ze naar de moeder Bára noemen.
Naast de duidelijk hiërarchische dorpsstructuur worden de mensen ook geleefd door gezegdes, volkswijsheden en bijgeloof. Een kraamvrouw mag rond het middaguur geen stap buiten de woonkamer zetten. Barbora is het vergeten. Heeft ‘de middagheks’ een wild kind in de plaats van haar baby in de wieg gelegd? De vroedvrouw stelt haar gerust, maar de roddeltantes in het dorp weten wel beter, voeren het te pas en te onpas aan.
Bára is grofgebouwd, heel gespierd, een vijftienjarige meid te sterk voor menige jongen. Ze pesten haar met haar ‘koeienogen’, maar Bára is niet alleen sterk, maar ook behendig als een forel en bovendien gewiekst. Ze weet rust om zich heen te creëren. Ze kunnen haar uitschelden voor ‘wilde Bára’ of ‘toverkol’ maar dat doet haar niks, sterkt haar eerder.
Bára gelooft niet in sprookjes, maar weet juist de vrees bij de dorpsbewoners in haar voordeel te benutten. Ze is bevriend met het zoontje Josífek van de koster en het fijnzinnige nichtje Elška van de pastoor. De in die tijd ongewone vriendschap wordt gedoogd, maar Josífek gaat op zijn twaalfde naar het seminatie en Elška gaat naar een rijke kinderloze ziekelijke tante in Praag.
De praatjes in het dorp nemen toe wanneer Bára bij afwezigheid van de zus van meneer pastoor, tijdelijk de leiding over de pastorie krijgt. De pastorie is haar Praag, haar toevluchtsoord. Geen man, geen jongen mag met Bára flirten, hun moeders willen niet dat ze met zo’n ‘wilde’ aan komen zetten.
Het deert Bára niet, zij hoeft geen korset te dragen, heeft maar één enkele strook versiering aan haar rok. Haar voeten zijn bruin verbrand, hebben een dikke eeltlaag, terwijl die van Elška wit en teer zijn. Bára is vrijgevochten, maar gaat door het vuur voor haar vriendin. Een ouwelijke rijke rentmeester dient zich aan voor de hand van Elška, maar zij is in de ban van een Praagse jonge dokter.
Nĕmcová weet op humoristische wijze de rentmeester aardig onappetijtelijk neer te zetten.
‘Hij was een klein manneke, hij leek wel een braadworstje met zijn korte beentjes. Verder had hij pioenrode wangen, een dito neus en een kalende schedel met een krans van peenrood haar dat nog wel in zijn nek en om zijn oren groeide. Zijn ogen lage diep in het omringende vlees en hadden de goede eigenschap – met name voor een rentmeester – dat ze elk een andere kant op keken.’
En daar komt de vindingrijkheid van Bára, en het feit dat zij wel vrij is van angst, geen geloof hecht aan volkswijsheden, goed van pas. Kan daarnaast de jonge dokter iets voor de ziekelijke tante doen? En hoe zit het met de koeienogen? Is er dan niemand die ze het mooiste vindt in de hele wijde wereld?
Wilde Bára is meer dan een sprookje, een fijn verhaal over hiërarchie, over vriendschap, liefde, over vrijheid, vrije keuze. Het verhaalt over een nieuwe tijdsgeest, een tijd waarin vooral ook vrouwen voor hun zelfbeschikking vechten.
Guus Bauer
Božena Nĕmcová – Wilde Bára. Vertaald door Kees Mercks. Pegasus, Amsterdam. 72 blz. € 15,00.

